In het onderwijs moet je kunnen reflecteren. Dat geldt voor zowel degenen die onderwijs ontvangen als degenen die het aanbieden. Reflectie kan betrekking hebben op opdrachten die je hebt uitgevoerd of aangeboden, maar het kan ook toegepast worden op de manier waarop je leert. Deze laatste vorm van reflecteren stelt je in staat om na te denken over je eigen leerproces en er sturing aan te geven. Dit proces wordt metacognitie genoemd.

Twee onderdelen

Metacognitie is een veel voorkomend begrip in het onderwijs. Het geeft leerlingen de kennis en vaardigheden om het eigen denken, handelen en leren te organiseren, te sturen en te controleren. Wanneer iemand dit proces goed beheerst, weet deze persoon welke manier van denken nodig is om een probleem op te kunnen lossen. Simpel gezegd: leren over leren.

De term metacognitie wordt opgedeeld in twee onderdelen: metacognitieve kennis en metacognitieve vaardigheden. Het eerste gaat over het identificeren van welke kennis je wel of niet beheerst. Met behulp van metacognitie ben je meer bewust van onderdelen die je nog niet goed begrijpt. Je kunt daarom jezelf sturing geven aan het leerproces. De metacognitieve vaardigheden komen daar goed van pas. Dit heeft betrekking op de manier waarop je het leren aanpakt. Je kunt bijvoorbeeld de juiste leerstrategie toepassen, afhankelijk van wat je aan moet leren. Voor woordjes leren heb je misschien bepaalde ezelsbruggetjes die je goed helpen, of je weet op welke manier je leesvragen moet aanpakken.

Metacognitie inbrengen in de les

Er zijn verschillende manieren om metacognitie te promoten in het onderwijs. Hieronder vind je vijf ideeën die helpen om je leerlingen over hun eigen leerproces te laten nadenken.

  1. Opbouwen van relaties

Als je als docent een goede relatie opbouwt met je leerlingen, creëer je een veilige omgeving. Het zorgt ervoor dat je goed met elkaar kunt communiceren. Deze sfeer helpt je leerlingen om hardop na te denken over het leerproces en hoe ze dit kunnen verbeteren. Denk hierbij ook aan het durven maken van fouten, zoals je in het andere artikel van vorige maand kon lezen.

  1. Hardop denken

In dezelfde lijn als het eerste punt is het normaliseren van hardop denken. Als een leerling niet op een antwoord kan komen, probeer dan om wat ondersteunende vragen te stellen. Door dit te doen kun je een leerling inzicht geven in de stappen die nodig zijn om tot een antwoord te komen. Dit helpt voor het ontwikkelen van een leerstrategie.

  1. Ideeën met elkaar delen

Je kunt als docent de leerstrategieën natuurlijk ook direct aanbieden. Je kunt bij een opdracht je leerlingen laten uitzoeken welke strategie het beste werkt, zodat ze in de toekomst weten welke ze nodig hebben. Daarnaast weten ze of ze een eigen voorkeur hebben voor een bepaalde strategie. Dit kan er vervolgens voor zorgen dat ze meer vertrouwen in zichzelf hebben, omdat ze een nieuwe methode hebben om vragen te beantwoorden.

  1. Hulpmiddelen aanbieden

Er zijn verschillende manieren waarop je leerlingen kan laten reflecteren. Een bekende methode is de SMART-methode, waarbij je een schema kunt hanteren. De leerlingen kunnen dit schema gebruiken om een overzicht te maken van de doelen die ze willen behalen. Elke letter in SMART staat weer voor een bepaald onderdeel in het leerproces, waar ze notities bij kunnen maken.

  1. Zichtbaar denken

Denken gebeurt natuurlijk in je hoofd. Het is echter vaak lastig om je leerproces achteraf uit te leggen. Het kan daarom nuttig zijn om leerlingen hun gedachteproces op te laten schrijven of uit te tekenen. Als docent krijg je inzicht hoe iemand tot een bepaald antwoord is gekomen. Dit is ook waarom docenten bij wiskunde de uitleg willen zien: hoe ben je tot je antwoord gekomen? Als je wel het goede antwoord hebt, maar niet de juiste methode gebruikt, is het wel de bedoeling dat je alsnog de gewenste methode aanleert. Dit voorkomt het maken van fouten in de toekomst.


Bron: https://www.kuleuven.be/onderwijs/ken-je-studenten/leren-van-studenten/metacognitie


Bij Paragin zijn we constant bezig met informatieveiligheid. Dat houdt in dat we goed zorgen voor alle gegevens die we verwerken en onze eigen producten moeten zo goed mogelijk beveiligd zijn. Paragin volgt hiervoor de eisen van de ISO 27001 norm, waarvoor wij gecertificeerd zijn. We lichten graag toe wat de ISO 27001-norm inhoudt en waarom het belangrijk is.

Waar staat ISO voor?

ISO is de internationale organisatie die zich bezig houdt met standaardisatie. Het is de grootste ontwikkelaar voor internationale normen voor allerlei onderwerpen. Inmiddels bestaan er zo’n 20000, waaronder normen voor onder andere productieprocessen, voedselverwerking, landbouw en zorgverlening. Al deze standaardisatie vergemakkelijkt (handels)connecties en samenwerking door gemeenschappelijke normen tussen landen voor te dragen. Ook voor technologie en informatie zijn standaarden ontwikkeld. ISO 27001 met betrekking tot informatiebeveiliging is er daar een van.

In Nederland is de NEN het nationale orgaan voor standaardisering. Voor informatiebeveiliging in de zorg heeft de NEN bijvoorbeeld norm 7510, gebaseerd op ISO 27001. Daarin staan nog extra onderdelen die alleen betrekking hebben op medische (persoons)gegevens.

Wat beschrijft ISO 27001?

De ISO 27001 norm beschrijft hoe informatie procesmatig beveiligd kan worden. Ook stelt de norm eisen voor het vaststellen, uitvoeren, controleren, beoordelen, bijhouden en verbeteren van een gedocumenteerd managementsysteem. In het geval van deze norm heet dat systeem ISMS (Information Security Management System). Een onderdeel hiervan is bijvoorbeeld het regelmatig uitvoeren van een risicoanalyse waarmee risico’s rondom informatiebeveiliging worden geïnventariseerd en procesmatig worden weggenomen.

ISO 27001 is onderverdeeld in hoofdstukken die elk een onderdeel van informatiebeveiliging behandelen. Er zijn in totaal tien hoofdstukken, waarvan de laatste zeven eisen bevatten om in aanmerking te komen voor een certificering. Hieronder staat van die hoofdstukken een korte toelichting:

  • Organisatiecontext: dit hoofdstuk bevat de verschillende eisen die betrekking hebben op de organisatie, de context en de (externe) belanghebbenden. Daarbij let je op de verwachtingen en behoeften die anderen van jouw organisatie kunnen hebben.
  • Leiderschap: de directie van een organisatie moet altijd betrokken en scherp zijn, zodat de eisen van ISO 27001 worden nageleefd. Er moet gezorgd worden voor continue communicatie over de veiligheid en dat altijd verbetering kan plaatsvinden. Als je als medewerker vergeet om je computer te vergrendelen, kun je er bij Paragin op rekenen dat je daar op aangesproken wordt!
  • Planning: een organisatie moet maatregelen hebben voor risicoverkleining. Hierbij hoort onder andere het verdelen van taken, analyseren van risico’s en evaluatie van de procedures.
  • Ondersteunende processen: in dit onderdeel wordt beschreven welke middelen beschikbaar moeten zijn voor ondersteuning van het ISMS. Welke competenties zijn er nodig? Bij Paragin krijgt elke nieuwe medewerker bijvoorbeeld een training om kennis te maken met de ISO 27001 en alle eisen die daar onder vallen te kunnen hanteren.
  • Uitvoering: natuurlijk moeten alle bovenstaande onderdelen uitgevoerd worden. Bij de uitvoering horen ook eisen die aangehouden moeten worden. Hieronder valt ook risicobeoordeling die de organisatie zelf uitvoert. De resultaten moeten daarvan bewaard blijven.
  • Prestaties: de eisen in dit hoofdstuk gaan over het evalueren van de prestaties. Hoe goed gaat het op het gebied van informatieveiligheid? Dit gebeurt door analyse en evaluatie. Interne audits en directiebeoordeling zijn hier onderdelen van. Hieruit volgen aanbevelingen en mogelijke verbeterpunten.
  • Verbetering: wat doe je als er een punt is waarop verbeterd kan worden? Ook hier heeft de ISO 27001 eisen voor. Hoe ga je om met afwijkingen, welke corrigerende maatregelen moet je treffen en hoe blijf je bezig met continue verbetering? Hieronder valt ook het aanpassen van het ISMS zelf.
Waarom is het belangrijk?

Veel organisaties en mensen vertrouwen op Paragin voor een veilige opslag en verwerking van hun gegevens en data. Veiligheid, betrouwbaarheid en beveiliging zijn daarom belangrijke begrippen in onze organisatie, waar wij altijd bewust mee omgaan. Zo zorgen wij dat we een betrouwbare partner zijn voor onze klanten, partners en gebruikers. De ISO 27001 helpt ons hierbij, omdat we zo een sterk beleid hebben rondondom veiligheid van data.

Naast het feit dat wij het als organisatie belangrijk vinden, is de intrede van de AVG een sterke wettelijke basis voor het beveiligen van gegevens en informatie. Implementatie van ISO 27001 is niet compleet dekkend voor de eisen die de AVG heeft, maar het is er wel een uitstekend basis voor. De opslag van data, risicoanalyses uitvoeren en bescherming van persoonsgegevens zijn allemaal al opgenomen in ISO 27001.

Door het gebruik van een gestandaardiseerde norm kan hier op getoetst worden door externe, onafhankelijk organisaties zoals onze auditor Lloyd’s Register. Hiervoor kun je certificaat krijgen, zodat aangetoond kan worden dat de informatieveiligheid goed wordt gewaarborgd.

Op onze website kun je dit certificaat terugvinden. Op die pagina staat ook een verdere toelichting over ISO 27001 en kun je meer lezen over onze beveiligingsmaatregelen.


Bron: https://www.nen.nl/nen-en-iso-iec-27001-2017-a11-2020-nl-265545


Misschien heb je in het artikel over metacognitie al gelezen dat dingen opschrijven helpt bij het leren. Het geeft inzicht in het gedachteproces, waaruit je informatie kan halen. Deze kennis kun je vervolgens weer gebruiken om je leervaardigheden te versterken. 

Onthouden en reflecteren

Net zoals iets uitleggen je helpt bij het onthouden van informatie, werkt het opschrijven ervan net zo. Door informatie op papier (of scherm) te zetten, ondersteunt dit de werking van je langetermijngeheugen. Wanneer je informatie niet herhaalt, zal het na verloop van tijd vergeten. Het opschrijven is dus een nuttig middel om het te blijven onthouden. Dit staat ook wel bekend als het retrieval effect.

Verder verbetert het schrijfproces ook het vermogen van een leerling om informatie op te halen, verschillende concepten te verbinden en informatie op nieuwe manieren samen te voegen. Zodoende is schrijven niet alleen een hulpmiddel om leren te beoordelen, het bevordert het ook. Het is belangrijk middel voor reflectie en metacognitie.

Waarom niet typen?

Natuurlijk is typen efficiënter en sneller dan schrijven. Je kunt ook makkelijker je structuur aanpassen als je dat wilt. Als we het echter hebben over het gebied van informatie verwerken en onthouden, blijkt dat dingen opschrijven toch beter werkt. Sterker nog, dit komt waarschijnlijk juist doordat je langzamer informatie verwerkt.

Bij het typen ben je voornamelijk bezig met transcriberen en minder met het verwerken van de inhoud. Dat is de conclusie van een onderzoek naar het maken van notities op een laptop of via handgeschreven tekst (Mueller en Oppenheimer, 2014). Doordat studenten met een laptop meer focus legden op zoveel mogelijk aantekeningen maken, waren ze minder bezig met het verwerken van de gepresenteerde informatie. De onderzoekers geven toe dat het noteren van zoveel mogelijk informatie nuttig kan zijn in bepaalde situaties. Met de hand schrijven was te langzaam om alles te noteren. In de toetsen bleek achteraf wel dat de studenten die geschreven notities hadden gemaakt veel beter scoorden.

Creatieve manieren van schrijven

Weet je niet goed hoe je je leerlingen of studenten aan het schrijven kan zetten? Probeer dan eens een van de onderstaande suggesties:

  1. Laagdrempelig schrijven

Het is niet altijd even makkelijk om gedachten of ideeën uit te schrijven. Je kunt daarom voorleggen om wat regels weg te halen. Laat studenten minder rekening houden met regels, zoals structuur of grammatica. Natuurlijk is het wenselijk om een goede schrijfstijl te hebben, maar dat kan belemmerend zijn wanneer je juist naar de achterliggende gedachte op zoek bent.

  1. Creatief schrijven

Laat studenten creatief zijn! Geef een bijzondere opdracht, zoals het omschrijven van een beest of machine die nog niet bestaat. Hoe ziet het er uit? Wat doet het allemaal? Dit helpt om het denken te stimuleren en buiten de box te denken.


In een eerder artikel heb je al over de taxonomie van Bloom kunnen lezen. Dit is echter niet de enige taxonomie die ingezet wordt in het onderwijs. In dit artikel vind je nog drie andere taxonomieën, die helpen bij het vormen van leerdoelen en toetsen.

Wat is een taxonomie ook al weer?

Een taxonomie helpt ontwerpers van onderwijs om leerdoelen op te stellen, te ordenen en om de bijbehorende kennis te toetsen. Het stelt je in staat om een structuur op te stellen, waarmee studenten deze kennis tot zich nemen en uiteindelijk volledig beheersen.

Elke taxonomie heeft een verschillende blik op de manier waarop deze opzet tot stand kan komen. Het is helemaal aan jou welke taxonomie jij het beste vindt passen. De taxonomie van Bloom is de bekendste, maar heb je ook van de volgende taxonomieën gehoord?

Romizowski

https://blog.euroforum.nl/wp-content/uploads/sites/15/2016/03/romiszowski.png

De taxonomie van Romizowski is in wezen niet heel verschillend van die van Bloom. Het prettige aan deze taxonomie is wel dat in het bovenstaande schema heel snel te zien is waar elk onderdeel voor staat. Er is ook duidelijk hoe elk onderdeel is opgedeeld, met daarbij een ‘tax-code’ vermeld. Met deze codes kun je als onderwijsontwikkelaar elk leerdoel direct markeren.

De taxonomie begint met een tweedeling tussen kennis en vaardigheid. Dit kun je zien als de twee basisonderdelen. Kennis wordt vervolgens opgedeeld in feitelijke en begripsmatige kennis. Feiten en procedures zijn de meest simpele vorm van kennis, begrippen en principes zijn hier een logische volgende stap op.

Vaardigheden zijn uitgebreider van aard en worden opgedeeld in reproductieve en productieve vaardigheden. Reproduceren omvat activiteiten die relatief gemakkelijk te herhalen zijn voor studenten. Productieve vaardigheden vereisen kritisch denkvermogen en creativiteit van een student. Met behulp van de taxonomiestructuur moet iemand van feitelijke kennis naar productieve vaardigheden kunnen komen.

RTTI

https://boomberoepsonderwijs.nl/wp-content/uploads/2014/11/wat-is-rtti.png

De RTTI-taxonomie is op het eerste oog minder uitgebreid dan Romizowski of Bloom. De indeling die deze taxonomie maakt, is wel erg duidelijk en minder complex en is vooral terug te vinden op middelbare scholen. Het wordt vooral gebruikt voor het ontwikkelen van (toets)vragen. Elke letter in RTTI staat voor een niveau in de bovenstaande tabel. De vier niveaus zijn ongeveer hetzelfde als de hiërarchie die we terug zien bij Romizowski, maar net wat anders verwoord.

  • Reproductie staat bij RTTI voor vragen die leerlingen beantwoorden, door de leerstof te onthouden. Dit zijn bijvoorbeeld vertaalde woorden, bepaalde begrippen of regels en formules.
  • Toepassen 1 (T1) is het trainingsgericht toepassingsniveau. Hierbij gaat het om vragen die betrekking hebben op bijvoorbeeld grammaticaregels.
  • Toepassen 2 (T2) gaat in op transfergericht toepassingsniveau. Dit niveau gaat in op het toepassen van zaken uit niveau T1, maar in een nieuwe situaties. Je kunt hierbij denken aan het inzetten van een specifieke casus die een leerling moet oplossen.
  • Het laatste niveau, Inzicht, zijn vragen die leerlingen zelfstandig en systematisch moeten oplossen. Een voorbeeld hiervan is het voorleggen van een probleem, waarbij een leerling moet analyseren en een passende oplossing moet beargumenteren.

Bij RTTI horen ook gedragsindicatoren. De ontwikkelaars noemen dit OMZA, wat staat voor:

  • Organisatie: kan een leerling zijn taken juist organiseren?
  • Meedoen: doet een leerling actief mee in de lessen?
  • Zelfvertrouwen: staat een leerling open voor feedback?
  • Autonomie: kan een leerling kritisch zijn op zichzelf?

Deze indicatoren hangen samen met de bovengenoemde niveaus. Als een leerling bijvoorbeeld vastloopt op het gebied van reproductie kan het nuttig zijn om ook naar de organiserende kwaliteiten te gaan kijken.

Europees Referentiekader (ERK)

De Raad van Europa ontwikkelde deze taxonomie in 2001. Het wordt ingezet om een indicatie te geven voor het taalniveau dat een gebruiker beheerst. De niveaus A, B en C zijn elk onderverdeeld in categorie 1 of 2 met in totaal 6 verschillende categorieën.

Niveau A is het laagste niveau voor basisgebruikers van een taal. Soms wordt hier nog een derde categorie aan toegevoegd: pre-A1. In dit stadium kan iemand korte zinnen maken, die betrekking hebben op simpele feiten, zoals je naam of je nationaliteit. Het is als het ware je startniveau als je een nieuwe taal gaat leren.

Niveau A1 beheers je wanneer je zinnen kunt maken die gaan over over mensen of plaatsen.
Bij A2 kun je al betere omschrijvingen geven door zinnen aan elkaar te koppelen. Denk hierbij aan routines of een bepaalde voorkeur die je ergens voor hebt.

Op niveau B wordt iemand een onafhankelijke gebruiker genoemd. Je kunt jezelf uitdrukken zonder dat je daar hulp bij nodig hebt, maar je mist nog hogere kwaliteiten om de taal compleet te beheersen.
In categorie B1 ben je in staat op een heldere beschrijving te geven van verschillende onderwerpen, bijvoorbeeld je eigen interesses. Dit kun je puntsgewijs presenteren.
Categorie B2 gaat weer een stapje hoger. Je kunt dan duidelijk en gedetailleerde uitleg geven over veel verschillende onderwerpen. Verder kun je relatief sterk presenteren en argumenteren.

Niveau C is het meeste geavanceerde niveau. Onder categorie C1 geef je zeer gedetailleerde beschrijvingen en je kunt bij een onderwerp ook ingaan op subthema’s, standpunten en conclusies.
Bij categorie C2 beheers je een taal volledig, wat inhoudt dat je vloeiend de taal kan produceren. Je kunt een specifieke en logische structuur hanteren, zodat je gesprekspartner of luisteraar alle informatie feilloos kan opnemen.

Net als bij de twee eerder genoemde taxonomieën gaat het hier over een doorlopende lijn, waarin een student een groei kan doormaken. Het handige aan deze taxonomie is dat deze door heel Europa gehanteerd wordt, waardoor je snel duidelijk kan maken in welk niveau van taal je je bevindt.


Psst… Wist je al dat je taxonomieën ook in RemindoToets kunt inzetten?

Organisaties gebruiken in RemindoToets vraageigenschappen om taxonomieonderdelen aan een vraag toe te kennen. Op deze manier kun je precies zien welke vragen bij welk onderdeel horen en kun je een taxonomie terug laten komen in je toetsen. Je kunt daarbij heel eenvoudig filteren op een specifiek onderdeel zodat je in een grote vragenbank niet lang hoeft te zoeken. Handig!

In de Kennisbank kun je hier meer over lezen in het artikel Beheer vraageigenschappen.


Docenten en leerlingen zullen binnen en buiten het klaslokaal afleiding en stress ervaren. Of het nou gaat om een drukke klas, moeilijke stof of dingen die buiten school om gebeuren: het kan allemaal invloed hebben op iemands gemoedstoestand. Afgelopen jaren is mindfulness ingezet in het onderwijs om dit soort stressmomenten tegen te gaan. Wat mindfulness is en hoe je het inzet lees je in dit artikel.

Aandacht richten

Mindfulness is een techniek om beter je aandacht te kunnen richten op belangrijke zaken. Je focust je om vervolgens meer bewust te zijn van het huidige moment en omgeving. In de klas kunnen leerlingen bijvoorbeeld leren hoe zij bewust om kunnen gaan met hun aandacht. Ze hoeven niet altijd te reageren op alles wat er om hen heen gebeurt. Door oefeningen leren ze opmerken waar hun aandacht naartoe gaat en hoe ze deze kunnen richten op de dingen die belangrijk zijn. Met behulp van mindfulness zijn ze zich meer bewust van hun gedachten en gevoelens en hoe ze hier mee om moeten gaan.

Dit kan ook voor docenten erg nuttig zijn, omdat in een klaslokaal met 30 leerlingen natuurlijk veel dingen gebeuren. Je wilt je op de meest belangrijke gebeurtenissen richten wanneer het wat drukker is. Door mindfulness toe te passen doe je een stapje terug en richt je je aandacht op die juiste zaken.

Hoe pas je mindfulness dan toe?

Simpel gezegd is mindfulness een combinatie van één of meer aandachtoefeningen. Als je het letterlijk naar het Nederlands vertaalt betekent het dan ook iets als ‘opmerkzaamheid’. Door de oefeningen word je rustiger, kun je beter opletten en je concentreren.

De verschillende oefeningen helpen hierbij. Je kunt ze onderverdelen in twee soorten: formele en informele oefeningen. Formele oefeningen zijn specifiek gericht op mindfulness. Een voorbeeld hiervan is een ademhalingsoefening. Door je te focussen op je ademhaling en alleen daar over na te denken word je rustig. Dit helpt je om vervolgens verder te gaan met je bezigheden, maar dan met meer controle over je gedachten. Informele oefeningen zijn juist gekoppeld aan alledaagse activiteiten die je altijd al doet. Denk hierbij aan dingen als ontbijten of fietsen. Tijdens die activiteiten zorg je dat je alleen maar daar op gefocust bent en op niets anders.

In het onderwijs zou je mindfulness toe kunnen passen door op een of meerdere momenten op een dag (korte) rustmomenten in te lassen. Je zou met leerlingen na de pauze een moment kunnen nemen om een minuut een ademhalingsoefening te doen, zodat iedereen rustig en gefocust aan de volgende les kan beginnen.

Wat zijn bekende effecten?

In het algemeen zorgt mindfulness er voor dat je minder stress ervaart, minder piekert en dat je meer zelfbewustzijn ontwikkelt. In het onderwijs maakt dit dat leraren effectiever zijn en beter op situaties in het klaslokaal kunnen reageren. Je bent beter in staat om vanuit een open contact de leerlingen te ondersteunen en een positief sociaal-emotioneel klimaat te creëren in de klas. Je moet hierbij denken aan het verder ontwikkelen van empathie en mildheid. Deze positieve kwaliteiten komen mogelijk moeilijker tot recht in een drukke en rumoerige klas. Dit terwijl juist een positieve relatie tussen leerling en leraar erg belangrijk is voor het leervermogen en welbevinden van de leerling.


Het is heel normaal om fouten te maken. Toch hebben we allemaal momenten dat we bang zijn om iets verkeerd te doen. Dat is jammer, omdat je van fouten maken juist veel kan leren! Hoe zorg je dat je een fout om kan zetten in een leermoment?

Goede fouten

Colin Seale schreef een boek over kritisch denken, en fouten maken is volgens hem een belangrijk onderdeel daarvan. In een foutvriendelijk klaslokaal kun je als docent fouten gebruiken als kansen. Je kunt beoordelen hoe leerlingen de cursusinhoud begrijpen en om hun kritische denkvaardigheden te ondersteunen. Seale stelt voor dat docenten nadenken over het gedachteproces van leerlingen. Hoe kan het dat de leerling een bepaalde fout heeft gemaakt? Door daar op in te gaan worden fouten niet gestigmatiseerd, maar onderzocht en geanalyseerd.

Kritisch denken wordt door Seale omschreven als “een luxeproduct”. Hij bedoelt hiermee dat alleen gevorderde leerlingen er goed mee om kunnen gaan en dat moet anders. Docenten moeten anticiperen op logische fouten en een veilige omgeving creëren. Seale noemt dit goede fouten. Door vooruit te denken over waarom een ​​leerling een fout zou kunnen maken, ben je beter voorbereid om ze te helpen deze ontrafelen en tot een juiste conclusie te komen.

Het is als docent eenvoudig om op foute antwoorden in te gaan. In plaats van een fout antwoord direct af te wijzen, vraag je aan de leerlingen wat de achterliggende redenering is. Het kan goed mogelijk zijn dat een leerling een sterk idee achter het antwoord heeft zitten. Docenten kunnen vervolgens de fout in de redenering terugvinden en die terugkoppelen. Geef hier een positieve draai aan, bijvoorbeeld: ‘Je zat er dicht bij! Door stap X te vervangen voor stap Y, was je op het goede antwoord gekomen, ga zo door!’ Met zulke positieve feedback geef je een leerlingen het gevoel dat fouten maken een noodzakelijk onderdeel is van het leerproces.

Opzettelijk fouten maken?

Seale heeft ook een andere manier bedacht om leerlingen fouten te laten maken. Niet door vragen te beantwoorden, maar door juist de antwoorden te bedenken. Hij zegt hierover het volgende:

“Als we leerlingen laten anticiperen op de meest voorspelbare fouten die bij een taak kunnen worden gemaakt, gaan we veel verder dan het niveau van toetsvaardigheid. We laten leerlingen in plaats daarvan denken als toetsmakers, zodat ze met realistische antwoorden voor een meerkeuzetoets komen.”

Dit kan door leerlingen naast het juiste antwoord drie onjuiste opties te bedenken. Er moeten wel logische antwoorden gegeven worden. Je kunt het presenteren als een uitdaging, bijvoorbeeld door medeleerlingen achteraf de vragen te laten beantwoorden. Deze opzet helpt de leerlingen om verbanden te leggen en kritische denkvaardigheid te ontwikkelen. Na verloop van tijd zullen leerlingen doorhebben dat sommige onjuiste antwoorden ook elementen van waarheid hebben. Dit verwijst weer terug naar de goede fouten die eerder voorbij kwamen.

Een andere optie die Seale voorstelt, is het opzettelijk aanbieden van vragen met alléén onjuiste antwoorden. Vervolgens kun je de leerlingen vragen welk antwoord het meest correct is. De leerlingen zullen met argumenten komen waarom het ene ‘juister’ is dan het andere. Dit vergt ook een mate van analyseren die de leerlingen cognitief kan ontwikkelen.


Bron: https://www.cultofpedagogy.com/magic-of-mistakes/


Waar onderwijs en scholing wordt gegeven, zul je zonder twijfel beoordelingen, toetsen en examens terug vinden, om de kennis van studenten te kunnen toetsen. Deze worden echter niet zonder meer opgesteld en afgenomen. Veel instellingen maken gebruik van een examencommissie.  Wat doet een examencommissie precies?

De examencommissie moet zich garant stellen voor de kwaliteit van een examen of beoordeling en het diploma of certificaat. Ze stelt dus vast of een persoon voldoet aan de voorwaarden voor het verkrijgen van een bijvoorbeeld een diploma of (ervarings)certificaat. De leden van de commissie zijn vaak mensen die veel kennis hebben van de betreffende schoolsoort, onderwijsinstelling en/of examinering in zijn geheel. De samenstelling is afhankelijk van hoe breed de examencommissie wordt ingezet. Dit kan zijn per opleiding, maar het komt ook voor dat er per faculteit een commissie bestaat.

Een belangrijk aspect is verder dat de examencommissie dient als onafhankelijk orgaan. De leden moeten geen belang hebben bij zaken die spelen bij de onderwijsinstelling, zoals het halen van hoge cijfers onder de studenten.

Wat zijn de taken?

De precieze taken van de examencommissie zijn niet voor elke instelling gelijk, maar zullen wel erg op elkaar lijken. Voor het hoger onderwijs zijn de taken van een examencommissie wettelijk bepaald. Het voortgezet onderwijs kent dit (nog) niet. In het raamwerk van de VO-raad worden wel een aantal aanbevelingen gegeven. Hieronder een voorbeeld van voorgestelde taken:

  1. Het borgen van de kwaliteit van de schoolexaminering (procesmatig, inhoudelijk, passend bij de visie van de school en passend bij het afsluitende karakter van het schoolexamen);
  2. Het vaststellen van richtlijnen en aanwijzingen om schoolexamens te beoordelen en vast te stellen.
  3. De examencommissie stelt regels vast over de uitvoering van de taken en bevoegdheden, bedoeld in het eerste lid, en de maatregelen die zij in dat verband kan nemen.
  4. Indien een kandidaat bij de examencommissie een verzoek of een klacht indient waarbij een lid van de examencommissie is betrokken, neemt het betrokken lid geen deel aan de behandeling van het verzoek of de klacht.
  5. De examencommissie stelt jaarlijks een verslag op over haar bevindingen bij het borgen van de kwaliteit van de schoolexaminering en verstrekt dit verslag aan het bevoegd gezag.

Wat doet een examencommissie dan in de praktijk?

Op het gebied van kwaliteitswaarborging is een examencommissie bezig met toetsanalyses en het toepassen van steekproeven om toetsen te controleren. De commissieleden kijken naar de inhoud van de toetsen en leggen deze naast de eindtermen die voor de betreffende opleiding zijn opgesteld. Als de commissie acht dat deze niet overeenkomen wordt dit teruggekoppeld aan de opleidingsfunctionarissen. Een examencommissie kan hierbij een advies geven, hoewel dit niet direct in de taken vastgelegd hoeft te zijn. Het is niet de taak om examens te ontwerpen, maar juist het controleren.

Een examencommissie heeft verschillende bevoegdheden die betrekking hebben op studenten. Er kunnen in bepaalde gevallen vrijstellingen worden verleend. Als een student bij een eerdere opleiding een diploma of certificaat heeft behaald die inhoudelijk sterk overeen komt met een aankomende studie kan dit bij de examencommissie gemeld worden. Deze kan beslissen om de student vrijstelling te geven. Studenten kunnen verder klachten en bezwaren indienen bij de examencommissie. Deze klachten zijn gerelateerd aan de opleiding, zoals de kwaliteit van het onderwijs, toetsing of het oneens zijn met een gegeven cijfer. De examencommissie kan vervolgens besluiten om een opleiding aan te spreken.

Nog een belangrijke taak die betrekking heeft op studenten is het geven van een bindend studieadvies (BSA). Dit advies geeft de examencommissie aan een student, met de mededeling of deze de opleiding mag vervolgens. In principe doet de commissie deze uitspraak aan het eind van het eerste studiejaar van de student. De onafhankelijkheid van een examencommissie maakt het wel of niet toekennen van het BSA eerlijk, zonder inmenging van andere personen die de student mogelijk goed kennen.


Iedereen komt ze tegen: meerkeuzevragen. Op een eindtoets, tentamens of bij het theorie-examen voor je rijbewijs. In dit artikel vind je een stappenplan voor het benaderen van een meerkeuzevraag. Ben je bezig met het ontwikkelen van vragen? Bij elke stap staat een docententip zodat je vragen niet te makkelijk beantwoord kunnen worden.

Tip 1. Beantwoord de vraag voordat je de antwoorden leest

Vergeet natuurlijk niet om eerst de vraag goed door te lezen! Wanneer je dat hebt gedaan, kun je proberen om de vraag zelf  te beantwoorden zonder naar de antwoordopties te kijken. Als je zelf een antwoord hebt bedacht, kijk dan naar de te kiezen antwoorden. Staat je antwoord er tussen? Dat kan je helpen voor het geval je ook andere opties moet overwegen: je bent niet voor niets op je eerste antwoord uitgekomen.

Docententip!

Elke meerkeuzevraag moet vanzelfsprekend een correct antwoord hebben. Het is wel wenselijk dat alle alternatieve antwoordmogelijkheden plausibel zijn. Zo test je je studenten het beste. Studenten die de lesstof goed beheersen zullen er het juiste antwoord uit  halen en er kan minder makkelijk gegokt worden!

Tip 2.  Foute antwoordopties elimineren

Wanneer je nog geen antwoord in je hoofd hebt, controleer dan of je de andere opties stapsgewijs kunt elimineren. Als je de stof goed beheerst, weet je wat je kunt afstrepen. Dit zal bij de ene antwoordoptie makkelijk zijn dan bij de andere. Probeer zo ver mogelijk te komen, zodat je zo zeker als mogelijk kunt zijn van je uiteindelijke antwoord. Het helpt je daarnaast om tijd te besparen, omdat je niet alle opties telkens opnieuw hoeft te overwegen.

Docententip!

Er zijn bepaalde woorden die een foute antwoordoptie kunnen verraden. Denk bijvoorbeeld aan woorden die generaliserend van aard zijn, zoals ‘altijd’ of ‘nooit’, ‘iedereen’ of ‘niemand’. Er zijn niet veel contexten waarin deze woorden in alle gevallen juist zijn. Het maakt je antwoordopties sterker door meer genuanceerde woorden te gebruiken.

Tip 3. Vastgelopen? Ga naar de volgende vraag!

Als je digitale toets dit toelaat, sla dan gerust een vraag over als je er even niet uit komt. Het kan frustrerend zijn om vast te lopen en je daardoor je concentratie verliest. Wanneer je eerst de vragen beantwoordt die je wel zeker weet, kun je de overige tijd en energie steken in de uitdagingen.

Docententip!

Als je studenten door de hele toets kunnen navigeren, betekent dit dat ze uit verschillende vragen tegelijk informatie kunnen halen. Dit hoeft niet gelimiteerd te zijn aan de vragen; ook door antwoordopties te bekijken kan een student misschien genoeg informatie halen om net die ene vraag te kunnen beantwoorden. Het maakt de toets uiteindelijk betrouwbaarder. Het is daarom sterk aan te raden om de vragen naast elkaar te leggen en dit na te gaan.

Tip 4. Let op antwoorden die veel informatie bevatten.

Er wordt vaak gezegd dat het langste antwoord ook het juiste antwoord is. Dat komt omdat sommige antwoorden nou eenmaal meer uitleg nodig hebben en daarom meer informatie bevatten. Bij een examen wat goed is opgezet zal dit niet het geval zijn. Let er daarom op dat je niet in deze valkuil terecht komt. De kans groot is dat de docent ook van deze ‘truc’ af weet, zeker als ze dit artikel hebben gelezen!

Docententip!

In tip 2 las je dat je bepaalde woorden beter niet kunt gebruiken. Dit kan er voor zorgen dat je antwoorden wat langer uitvallen. Zoals hierboven is aangegeven weten studenten vaak dat langere antwoorden een grotere kans hebben om het juiste antwoord te zijn. Ze hoeven natuurlijk niet precies even lang te zijn, maar probeer een goede balans te vinden in informatie voor elk antwoord. Het valt op als er drie antwoorden met één regel tekst zijn, terwijl een ander antwoord vier regels bevat.


Elke organisatie maakt één of meerdere groeifasen door in haar bestaan en elke groeifase heeft haar eigen charmes, uitdagingen en valkuilen. Hoe uniek je bedrijf ook is, de groeifasen en bijbehorende kenmerken zijn herkenbaar binnen elke organisatie die ze doorloopt. Echter, lang niet elke organisatie doorloopt elke groeifase. Zo zijn er miljoenen mensen die een bedrijf opstarten, maar enkel een procent of 5 hiervan groeit na de eerste opstartfase door naar een jaarlijkse omzet van 10 miljoen of meer.

Een research team van de Erasmus Universiteit in Rotterdam onderzoekt jaarlijks hoe het gesteld is met het aantal snelgroeiende bedrijven in ons land. (Hieronder verstaan zij bedrijven met tenminste 10 fulltime medewerkers -of 10 FTE- die over een meetperiode van 3 jaar ten minste 20 procent per jaar groeien in werknemers en/of omzet.)

In hun ‘ScaleUp dashboard 2020’ concluderen ze onder andere dat de groei van het aantal snelgroeiende bedrijven in ons land tot stilstand is gekomen. En dit al vóór het uitbreken van de Corona crisis.

Snelgroeiende bedrijven spelen een cruciale rol in het Nederlandse klimaat en dragen bij aan economische groei, werkgelegenheid en innovatie. Het is dan ook zorgwekkend te noemen dat deze bedrijven stoppen met groeien. Hoe kun je er dan voor zorgen dat je bedrijf wél een ScaleUp wordt?

Groeifasen model van Larry Greiner

Om de groeifasen binnen een organisatie weer te geven, wordt vaak het groeifasenmodel van Greiner gebruikt. Het doel voor een groeibedrijf is te komen bij de 5e stap, de ‘Standaardisatiefase’, welke de optimale fase is voor groei. De 5 fasen in het groeimodel zijn:

Groeifase 1: Pioniersfase

Een nieuwe organisatie start in de pioniersfase. De ondernemer is in deze fase meewerkend voorman of -vrouw. Er is weinig geformaliseerd. Het bedrijf bruist van creativiteit en energie. Het team is vooral bezig met ontwikkeling van (het) product(en) en het in de markt zetten hiervan. In deze fase zullen er tot ongeveer 8 medewerkers werkzaam zijn in het bedrijf.

Groeifase 2: Organisatiefase

Er ontstaat op een gegeven moment meer behoefte aan (management)processen. De rol van de ondernemer verandert meer in die van ‘manager’, hoewel hij of zij hierbij vaak worstelt met de verschillende petten, rollen en aandachtsgebieden. Voor veel ondernemers is dit een lastige fase. Ze willen vaak liever goede creatieve ideeën realiseren en kunnen moeite hebben met omkaderde processen. In deze fase zullen er tot ongeveer 25 medewerkers werkzaam zijn in het bedrijf.

Groeifase 3: Managementfase

Er worden meer professionals aangenomen op de specifieke functionele deelgebieden. Dit blijft in deze fase vaak tijd kosten van de ondernemer. De groei vraagt om flinke financiële middelen, nieuwe mensen kosten veel marge en creëren complexiteit en afstemmingsproblemen. De bedrijfscultuur kan onder druk komen te staan, wat zeker ook lastig kan zijn voor medewerkers die al langer in het bedrijf werkzaam zijn. In deze fase zullen er tot ongeveer 50 medewerkers zijn in het bedrijf.

4. Delegeerfase

Vanaf deze fase is er vaak een functionerend managementteam, waardoor de ondernemer meer tijd krijgt om zich op andere zaken te richten dan de operationele gang van zaken.
In deze fase zullen er tot ongeveer tot 150 medewerkers zijn in het bedrijf.

5. Standaardisatiefase

Dit is de optimale fase voor groei. Vanuit de verschillende management leden moet meer gecoördineerd en afgestemd worden. De kans is groot dat er meer bureaucratie ontstaat. De managers moeten steeds meer tot leiders worden ontwikkeld. Het enige doel in deze fase is om in flow te blijven.

Scaling Up

Hoe komt je dan in die optimale Standaardisatiefase?

Binnen Paragin zijn we fan van de Scaling Up methode van Verne Harnish. Verne Harnish is een Amerikaanse ondernemer en schrijver van onder andere het boek ‘Scaling Up’, waarin hij zijn groeiformule voor bedrijven omschrijft. Het geheim van duurzame groei zit ‘m volgens Harnish in een heldere strategie, gedisciplineerde executie, blije mensen en voldoende financiële middelen.

Ook bij Paragin herkennen we groeifasen uit het Greiner-model en de kenmerken die hier bij horen. We vinden het als groeiend bedrijf belangrijk om onze organisatie zo optimaal mogelijk te laten functioneren en daarbij te leren van de ervaringen van andere groeibedrijven. We vinden het ook belangrijk om -ondanks groei- onze bedrijfscultuur te behouden en we willen een prettige samenwerkingspartner zijn en blijven voor de gebruikers van onze software.

Een inkijkje in de Scaling Up methode

De methode richt zich op de vier onderdelen ‘strategie’, ‘uitvoering’, ‘mensen’ en ‘cash’. Harnish vertelt in zijn boek, maar ook tijdens zijn lezingen over zijn methode met veel praktische en inspirerende voorbeelden. Je kunt hier zelf mee aan de slag aan de hand van het boek, maar je kunt hierbij natuurlijk ook gebruik maken van een coach voor deze methode.

Strategie

In dit thema wordt je aangezet om een aantal dingen duidelijk te verwoorden- en volgens de Scaling Up methode ook op papier te zetten- in een OPSP (One Page Strategic Plan), die de basis van je organisatie vormen. Zo is duidelijk en door iedere medewerker te benoemen wat de organisatie doet en wat het doel is waar naartoe gewerkt wordt.

Onderdelen uit het OPSP zijn bijvoorbeeld:

  • Kerncompetenties: waar is de organisatie enorm goed in. Dingen die je beter doet dan anderen.
  • Doel van je bestaan: Wat doe je als organisatie en vooral: waaróm doe je wat je doet.
  • Kernwaarden: wat zijn de kernwaarden die je organisatie kenmerken. Wat zijn de regels en grenzen die je bedrijfscultuur definiëren.
  • Beloften: wat zijn de dingen die je je klanten beloofd.
  • Je stip aan de horizon: wat is het doel waar je op lange termijn naartoe werkt. Het legendarisch doel dat je in een jaar 10 alleen kunt bereiken, wanneer alles je meezit en alle resources aanwezig zouden. Of je ‘De BHAG (‘Big, Hairy, Audacious Goal.’), zoals Harnish dat noemt.

Vervolgens wordt er een stappenplan gemaakt om de BHAG te bereiken. Waar moet je in investeren om je BHAG te behalen? En wat zijn dan de doelen die je moet behalen en de prioriteiten die je moet stellen over 3 jaar en het komende jaar?

Uitvoering

Wanneer duidelijk is vastgesteld wat je doet en wat je wilt bereiken als organisatie, is het tijd om te kijken hoé dit dan moet. Harnish beschrijft in zijn boek het belang van een strak en regelmatig overleg ritme, het kunnen meten van prestaties op verschillende niveau’s (en daar naar handelen) en het plannen van je jaardoelen en prioriteiten per kwartaal. Hierbij wordt de Rockefeller Habits Checklist gebruikt. Een lijst van 10 routines, waarmee je de regelmaat in je uitvoering kunt afdwingen.

Cash

Om te kunnen groeien zijn financiële middelen nodig, het liefst gegenereerd door de eigen organisatie. Het boek besteed aandacht aan het zicht hebben op en het verbeteren van je cashflow, en het hebben van goed begrip van geldstromen binnen de organisatie

Mensen

Om je bedrijf duurzaam te laten groeien zijn er geweldige mensen nodig. Niet alleen medewerkers, denk ook aan klanten, leveranciers, partners, adviseurs en ondersteuning van de thuisbasis. Harnish besteed aandacht aan rollen en verantwoordelijkheien binnen het leiderschapsteam en het vinden, aannemen en prettig samenwerken met A-spelers: mensen die passen (en betrokken zijn bij) je bedrijfscultuur en strategie.


De Academie voor Podologie (AvP) leidt mensen op om aan de slag te kunnen als, hoe kan het ook anders, registerpodoloog! Een registerpodoloog is gespecialiseerd in voet- en houdingsklachten.  Daarnaast biedt de AvP ook bij- en nascholingen over verschillende onderwerpen die gerelateerd zijn aan podologie.

De AvP is daarbij in staat om de dagelijkse praktijk en ervaringen vanuit het veld te koppelen aan het onderwijs, zodat praktijk en onderwijs elkaar inspireren en stimuleren. De opleiding tot registerpodoloog wordt door Stichting Hoger Onderwijs Nederland erkend als registeropleiding, heeft een NRTO-keurmerk en het is ingeschaald op NLQF niveau 6. We spraken met Linda Hofs en Laura Lacet.

Linda Hofs

Linda werkt sinds 2004 voor AvP. Toen ze daar solliciteerde heette het nog Podologisch Opleidingsinstituut (POI). Ze is gestart op het secretariaat en nu fungeert zij als opleidingscoördinator. Dat houdt in dat zij onder andere de algemene en examengerichte planningen onderhoudt. Ze is daarnaast de back-up voor Laura wanneer het bij het secretariaat erg druk is.

Laura Lacet

Laura regelt bij AvP voornamelijk de studentenadministratie van A tot Z! Ze is eigenlijk altijd werkzaam geweest op administratief of secretarieel gebied. Na een tijdelijke functie kwam ze bij AvP terecht en inmiddels werkt ze er zo’n tweeënhalf jaar.

Fijn dat we jullie vandaag kunnen spreken! Linda, je noemt net dat de organisatie eerst een andere naam had. Wanneer is de AvP precies ontstaan?

Linda: “Grappig dat je dat vraagt, want dat weet ik niet precies! Bij mijn start was het opleidingsinstituut al flink in de groei, maar een officieel startpunt kan ik zo niet zeggen. Wat ik wel weet is dat we sinds 2007 Academie voor Podologie heten. Sinds die tijd is de AvP flink blijven doorontwikkelen!”

Hoe ervaar jij het werken voor AvP, Laura?

Laura: “Sinds ik er werk, merk ik dat er best veel verandert bij AvP. Het beste voorbeeld wat ik kan noemen is dat er sterk gedigitaliseerd is. Toen ik startte werd er nog veel op papier gedaan, zoals bijvoorbeeld het afnemen van toetsen. Inmiddels wordt dit natuurlijk digitaal gedaan via de software van Paragin. We blijven in ontwikkeling, maar er zijn al veel grote stappen gemaakt!”

Toen jullie voor het eerst bij Paragin kwamen, hadden jullie al beschikking tot een online omgeving. Kunnen jullie wat vertellen over hoe de overgang is gegaan?

Linda: “We hadden een kennisbank opgebouwd met daarin heel veel artikelen. De studenten konden daarin informatie opzoeken die ze nodig hadden voor de lessen. Dit is nu vormgegeven in MijnPortfolio.nl. Het was in MijnPortfolio niet mogelijk om exact dezelfde indelingen op te zetten, maar in overleg met Paragin is het gelukt om een mooie structuur te maken. Dit was voor onze docenten en studenten wel even wennen, maar dat hoort er natuurlijk bij.”

Laura: “Dat overleggen is inderdaad heel erg fijn geweest, en dat is het nog steeds. Paragin is heel klantvriendelijk en luistert naar onze wensen. We zijn erg blij hoe veel jullie hebben meegedacht om de omgeving passend bij onze opleidingen in te richten. Het maakt de implementatie van een nieuw systeem een stuk minder ingewikkeld.”

Hebben jullie daar misschien een voorbeeld van?

Linda: “Een goed voorbeeld is de demo’s die voor ons zijn aangemaakt. Toen we een aantal vragen voor hadden gelegd, kregen we al snel een voorbeeldomgeving. Deze was herkenbaar ingericht met onze eigen huisstijl, met daarin opties voor onze wensen. Dat werd bijvoorbeeld gemaakt voor de leeromgeving en de eventuele mogelijkheden voor een studentadministratie. We konden tijdens die demo’s meteen terugzien dat Paragin onze wensen goed begreep en daar goed over mee had gedacht. Het voelt alsof niks te veel moeite is voor Paragin!”

Goed om te horen! Jullie maken inmiddels al een aantal maanden gebruik van MijnPortfolio en RemindoToets. Hoe gaat dat in z’n werk?

Laura: “De studenten loggen bij ons in op de MijnPortfolio-omgeving. Daar hebben wij de gegevens in staan en kunnen ze bijvoorbeeld hun lessen voorbereiden, tentamenopdrachten aanleveren en toetsen starten. Het daadwerkelijke afnemen van toetsen gebeurt met RemindoToets. In MijnPortfolio zit een koppeling naar RemindoToets, zodat studenten doorgestuurd worden zonder dat ze het echt merken. Ze hoeven ook niet nog een keer in te loggen, wat natuurlijk erg handig is! Wij kunnen in RemindoToets ook meekijken en overzicht houden op de studenten die de toets aan maken zijn.

Aan het begin was het voor ons nog wel spannend. We hebben aan Paragin gevraagd of ze paraat konden staan tijdens het afnemen van de eerste toetsen in geval van nood. Gelukkig konden we daarin op Paragin rekenen, zelfs toen de eerste keer in een weekend was!”

Onze software heeft behoorlijk wat functies en knoppen. Was het voor jullie makkelijk om met de software te leren werken?

Linda: “Wij vinden de software echt fijn om in te werken. Natuurlijk zijn er veel opties aanwezig en kost het tijd om alles te ontdekken. Paragin kan alle onderdelen uitschakelen die wij niet nodig hebben. Veel functies hebben bovendien een korte toelichting voor wat ze doen. Ook onze docenten en studenten kunnen er inmiddels goed mee overweg. We hebben hiervoor een hoop andere softwarepakketten gehad waar dat anders is geweest.”

Ik vind de software van Paragin echt een ‘Apple’ onder de digitale systemen, heel gebruiksvriendelijk.

Net noemden jullie al de bestaande kennisbank en dat hier een andere oplossing voor moest komen in MijnPortfolio.

Linda: “Klopt, ik zei al dat we er een andere structuur voor moesten bedenken. De originele mappenstructuur was niet één op één over te zetten in MijnPortfolio, daarom is in overleg met Paragin een andere optie bedacht. Nu hebben wij in de kennisbank een lijst kunnen maken van alle artikelen uit de originele kennisbank. Daarnaast staan sleutelwoorden die aangeklikt kunnen worden. Door op een woord te klikken wordt alle informatie getoond die met dat onderwerp te maken hebben. Het werkt als een soort filter.

Daarnaast heeft Paragin op ons verzoek er een zoekfunctie in gebouwd, waardoor mensen ook zelf een zoekwoord kunnen invullen. Je moet dan wel specifiek zijn in het woord wat je zoekt. Maar ook hier is Paragin dus heel toereikend en ontwerpt speciaal nieuwe onderdelen voor ons!”

Heeft RemindoToets jullie ook dit soort voordelen gebracht?

Laura: “Ja zeker, ik noemde net al dat we studenten goed kunnen volgen. Als er een toets aan de gang is weten we bij welke vraag ze zijn en wat de status van de toets is. Daarnaast hoeven we niet meer zoals eerst te wachten op cijfers van docenten. Op papier moest alles eerst met de hand nagekeken worden, daarna handmatig ingevoerd worden in het systeem en de studenten moesten we vervolgens per persoon op de hoogte brengen. Het gaat nu allemaal vanzelf en in het geval van meerkeuzetoetsen zien studenten het cijfer direct na het afronden van de toets. We hoeven ook geen inzagemomenten meer te organiseren, nu kunnen ze namelijk gelijk de gemaakte toets inzien als ze dat willen. Er komt minder tijd en moeite bij kijken en dat is natuurlijk prettig voor zowel de studenten als voor onszelf.”

Hebben jullie nog een afsluitende opmerking voor ons?

Linda: “Ik denk dat zeker al duidelijk was dat we heel erg enthousiast zijn! Ik vind het heel fijn dat de communicatie zo goed en snel verloopt. Als het gaat om software kan het lastig zijn om elkaars ‘taal’ te begrijpen, maar daar was bij Paragin geen sprake van. Alle ondersteuning die we krijgen is heel fijn.”

Laura: “Daar sluit ik me bij aan. Alles loopt prima en ik hoor veel positieve dingen als mensen eenmaal aan de slag zijn in MijnPortfolio. Natuurlijk hebben we soms ergens een vraag over of zouden we graag een aanpassing zien die voor ons goed zou zijn. Daar wordt altijd serieus naar geluisterd en Paragin zoekt altijd naar een oplossing.”

Heel erg fijn om te horen dat jullie zo positief zijn over Paragin en onze software. Dank jullie wel voor jullie tijd!

1 2 3 15