RemindoToets geeft veel informatie over gemaakte toetsen. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de resultaten van kandidaten, maar ook informatie over de betrouwbaarheid en moeilijkheid van de toets en toetsvragen.

Vaak krijgen kandidaten hun resultaat (in cijfers, percentages of punten) alleen op het hoogste niveau te zien, namelijk op toetsniveau. Het is echter mogelijk om meer informatie over de resultaten te geven aan de kandidaat en/of aan zijn of haar begeleiders/docenten. Als dit gewenst is, moet daar al tijdens de toetsconstructie rekening mee gehouden worden door bijvoorbeeld vraageigenschappen toe te voegen aan vragen. Vervolgens kan bij de toetsmatrijs een terugkoppeling ingesteld worden. In dit artikel willen we aan de hand van twee eenvoudige voorbeelden laten zien wanneer je een terugkoppeling zou kunnen instellen. Voor de instructie over het instellen van een terugkoppeling(srapportage), ga je naar het artikel over Terugkoppeling in de Kennisbank.

De belangrijkste vraag is: Wat wil ik meten? Zijn dat bijvoorbeeld de prestaties op subonderwerpen in een toets, of het vaardigheidsniveau van kandidaten? Hieronder volgen twee voorbeelden.

Terugkoppeling op basis van regels

Een toetsmatrijs voor een toets Nederlands is onderverdeeld in een aantal regels: begrijpend lezen, spelling en grammatica. In elke regel zitten een aantal vragen. Naast het cijfer op de totale toets wil de docent weten hoe de kandidaten scoren op deze drie onderdelen. Om dit te bereiken moeten voor de terugkoppeling onderdelen aangemaakt worden op basis van deze regels (zie de afbeelding hierboven). Wanneer de resultaten er zijn, worden apart van het resultaat op de gehele toets, ook nog cijfers per onderdeel gegeven.

Terugkoppeling op basis van vraageigenschappen

Je kunt de terugkoppeling ook zo instellen dat er informatie per vraageigenschap wordt teruggekoppeld. Bijvoorbeeld in een toets waarbij drie casussen worden behandeld. Logischerwijs wil je alle vragen over één casus achter elkaar stellen en is de toetsmatrijs zo ingericht dat elke regel over één casus gaat. Binnen een regel kunnen er echter vragen gesteld worden op het taxonomieniveau ‘onthouden’, ‘begrijpen’ en ‘toepassen’. Als je als docent wilt weten hoe de kandidaten presteren op de verschillende taxonomieniveaus die verspreid zijn over de hele toets, kun je een terugkoppeling aanmaken per taxonomieniveau door de terugkoppelingsonderdelen op vraageigenschap in te stellen. Hierbij laat je RemindoToets uit alle regels vragen selecteren, maar wordt er gefilterd op vraageigenschap (zie de afbeelding hiernaast).

Tot slot is er ook de mogelijkheid om een terugkoppeling te krijgen op combinaties van regels en vraageigenschappen, maar altijd begin je met de vraag: Wat wil ik meten?

De extra informatie die de terugkoppeling geeft kan getoond worden aan kandidaten, maar kan ook puur voor analysedoeleinden gebruikt worden en niet aan kandidaten getoond worden. Wanneer je een onderdeel toevoegt, kun je dit instellen bij de zichtbaarheidsinstellingen bij stap 3.

 


Binnen RemindoToets en MijnPortfolio zijn functionaliteiten ingebouwd die tekst kunnen voorlezen: webReader en docReader. Deze externe software van het bedrijf ReadSpeaker verhoogt de toegankelijkheid voor gebruikers, kandidaten en beherende rollen. De voorleesfunctie kan ingezet worden bij toetsafname, maar ook in de beheer- en verdere afnameomgevingen. Zo kan elke gebruiker RemindoToets en MijnPortfolio gebruiken.

Wat is ReadSpeaker?

ReadSpeaker is een wereldwijde tekst-naar-spraakspecialist. De software van dit bedrijf wordt ingezet in 65 landen, voor zowel SaaS- als licentieproducten. Het heeft verschillende opties die de toegankelijkheid van teksten kunnen verhogen. Denk hierbij aan het voorlezen van teksten uit verschillende talen, het arceren van tekst die op dat moment wordt voorgelezen of het vertalen van tekst naar gesproken woord in een andere taal. Binnen onze software helpt de functionaliteit mensen die de teksten in RemindoToets en MijnPortfolio minder goed kunnen lezen. Doordat de tekst duidelijk wordt uitgesproken en onbeperkt beluisterd kan worden, kunnen zij ook zonder problemen toetsen afronden en met hun portfolio’s werken.

ReadSpeaker is opgedeeld in software die elk een eigen functie kunnen uitvoeren. Voor RemindoToets zijn webReader en docReader beschikbaar, MijnPortfolio bevat momenteel alleen webReader als toevoeging. webReader stelt gebruikers in staat om de tekst voor te laten lezen die zich direct op de webpagina bevindt. Je kunt hierbij denken aan toetsvragen en instructieteksten. docReader wordt in RemindoToets gehanteerd om documenten te openen en voor te lezen. Dit kan nuttig zijn als een toets een dergelijk document bevat voor het beantwoorden van een vraag. Hiermee kunnen alle bekende bestandsformaten voorgelezen worden, zoals PDF, EPUB en Office-bestanden. Elk onderdeel van ReadSpeaker moet geactiveerd worden door middel van een abonnement.

Gebruik in RemindoToets en MijnPortfolio
https://i.gyazo.com/99f8afd00f88424a86d90931a0d91c12.png

webReader in MijnPortfolio

webReader in RemindoToets

ReadSpeaker wordt in RemindoToets en MijnPortfolio op twee manieren geactiveerd:

  • Gebruik een van de bovenstaande iconen om webReader te activeren. Je vindt ze rechtsboven in je scherm nadat je bent ingelogd.
  • Selecteer een stuk tekst om voor te laten lezen. Er zal naast de selectie een pop-up verschijnen met een knop voor het afspelen.

Voor kandidaten die een toets aan het maken zijn, zien de functionaliteiten er iets anders uit. Rechtsboven elke toetsvraag staan twee knoppen: een knop om direct te luisteren en een knop om de tekstmodus te openen (zie rechts). Wordt er op de knop ‘Lees voor’ geklikt, dan zal op die plek vervolgens een balk met afspeelopties worden getoond. De knop met de pijl ernaast opent een pop-up waarin de tekst gearceerd kan worden. Er kan ook op een willekeurige tekst geklikt worden met de linkermuisknop, zo kan een specifiek gedeelte van de tekst op een pagina worden voorgelezen.

In de recente RemindoToets release 22.3 zijn er verbeteringen gedaan aan de ReadSpeaker intergratie. Kandidaten hebben nu direct controle over de voorleessnelheid en diverse instellingen kan aanpassen. Daarnaast is er rechtsonder nu altijd een menu aanwezig waarmee de kandidaat effectief grote stukken tekst voor kan laten lezen zonder dat de belangrijkste knoppen uit zicht raken. Daarnaast is in deze release het docReader van ReadSpeaker geïntegreerd.


Op basis van verschillende nationale en internationale onderzoeken naar het verschil tussen schoolexamens (SE) en centrale examens (CE), heeft men de conclusie getrokken dat het hanteren van een strenge beoordelingsnorm uiteindelijk leidt tot betere resultaten. Maar klopt dit eigenlijk wel?

Een rapport uit 2006 had als conclusie dat de intrinsieke waarde van middelbare schooldiploma’s in de voorgaande jaren was gedaald. Daarbij werd gesteld dat scholen met een laag gemiddelde op het centrale examen vaak een groter verschil hadden met de resultaten op de schoolexamens. Makkelijke schoolexamens zouden hier de verklaring voor zijn, omdat die scholen zo hoopten het gemiddelde op te krikken. Dit kreeg vervolgens aandacht in de media, waardoor de onderwijsinspectie het oppakte. Het gevolg: scholen die meerdere jaren een te groot verschil tussen het CE en SE hadden, kregen een lage beoordeling van de inspectie.

Ook in recenter onderzoek is dezelfde conclusie terug te vinden. Onderzoekers van de American University bekeken de wiskundecijfers van leerlingen over een periode van tien jaar. Daarbij maakten ze onderscheid tussen leerlingen van ‘strenge’ docenten die hoge beoordelingsnormen hanteerden en leerlingen van ‘coulante’ docenten die lagere normen hanteerden.

Het onderscheid tussen streng en coulant wordt in dit onderzoek gebaseerd op het verschil tussen schoolresultaten en eindexamenresultaten. De onderzoekers concludeerden uiteindelijk dat leerlingen van strenge docenten beter scoorden op de centrale examens, omdat de hoge normen voor meer kennisoverdracht hadden gezorgd. Dit wordt verklaard door de cijfers van leerlingen in verdere schooljaren opnieuw te vergelijken.

Onjuiste conclusies?

In een artikel over dit onderwerp wordt aangekaart waarom een probleem schuilt achter beide conclusies. Als eerste houden de twee bovenstaande rapporten geen rekening met de opbouw van schoolexamens. Deze zijn niet alleen opgebouwd uit verschillende cijfers, maar ook uit verschillende vormen van toetsing die per school sterk kunnen verschillen. Het komt daarom relatief weinig voor dat een schoolexamen extreem hoog of laag is. De centrale examens zijn juist momentopnames, waardoor uitschieters minder ongewoon zijn.

De uitgebreide toelichting in het artikel kan samenvat worden tot het volgende: het verschil tussen het SE en CE is te verklaren doordat er geen perfecte correlatie tussen de twee bestaat. Er zal altijd een verschil zijn tussen school- en centrale examens, waardoor we ook niet moeten verwachten dat ze altijd bij elkaar in de buurt zitten.

Wat kunnen we dan wel meenemen?

Het constante vergelijken van het SE en CE blijkt onnodig te zijn geweest en dat heeft soms negatief uitgepakt. In datzelfde artikel wordt gesteld dat we juist best trots mogen zijn op de resultaten van de schoolexamens. Onderwijsinstellingen en docenten mogen echt wel uitgaan van hun eigen kunnen, zeggen de schrijvers. Elke school kan doorgaan met de onderwijsvisie die zij hanteren, zonder dat ze daar met een onjuiste vergelijking op worden benadeeld.


Je weet misschien al dat onze software in verschillende talen beschikbaar is, waaronder ook het Engels. Juist deze taal is in het hoger onderwijs de afgelopen jaren een groot discussiepunt. Voor internationale studenten is het aantrekkelijk om onderwijs in het Engels te krijgen, maar dit geldt niet altijd voor Nederlandse studenten.

In het jaarlijkse rapport “De Staat van Onderwijs” wordt ingegaan op ontwikkelingen rondom de verengelsing. Er zijn verschillende bevindingen voor het mbo, hbo en wo, waarvan enkele voor alle soorten onderwijs gelden.

Zo wordt beschreven dat Engels bij alle studielagen steeds meer als standaardtaal wordt ingezet. Vooral bij wo-masters is het percentage hoog: 78% van die opleidingen is geheel Engelstalig. Dit is niet alleen omdat die opleidingen internationale studenten aan willen trekken, maar ook internationaal personeel. Ondanks de coronacrisis is de internationale instroom op universiteiten dit jaar zo’n 30%, ten opzichte van zo’n 25% in 2017. De inspectie kan niet met zekerheid zeggen of de toename in Engelstalige opleidingen de oorzaak of het gevolg is van de internationale toestroom.

Een statistiek die daar in contrast mee is, is dat de Inspectie merkt dat de Engelse taal in veel gevallen niet goed wordt beheerst. 31% van de Nederlandse studenten die aanvullend onderwijs hebben gevolgd, deden dit omdat zij niet met het niveau van Engels mee konden komen. Daarbij geven studenten aan dat zij docenten soms moeilijk verstaan, bijvoorbeeld omdat een docent zich in het Engels minder goed kan uitdrukken.

Wanneer een opleiding Engels als instructietaal hanteert, kan dit sommige studenten ervan weerhouden om voor die opleiding te kiezen. Vooral studenten die van het mbo en havo komen geven dit aan. De onderwijsinspectie benadrukt dat het gebruik van Engels als instructietaal hiermee een (onbedoeld) selectiemiddel dreigt te worden.

Internationale aanpak

In sommige andere Europese landen gaat men heel anders om met de verengelsing. Afgelopen oktober waren vertegenwoordigers van universiteiten uit Estland en Letland in Maastricht. Daar werd gesproken over de aanpak van Engelstalig onderwijs en hoe het zich verhoudt tot de eigen, nationale taal.

In beide landen heeft de staat een sterke invloed op de voertaal. De Letse overheid legt de universiteiten strakke regels op. Er is daar wel een constant debat over welke partij over die regels moet gaan, want sommige universiteiten hebben er moeite mee dat de overheid hen zulke regels op legt. Zij zien zichzelf als internationale speler die veel te bieden heeft aan internationale studenten. De overheid waakt daarbij sterk op het behoud van de taal, want dat wordt in het land gezien als een belangrijk onderdeel van de cultuur.

Estland heeft soortgelijke regels. In dat land werd ingesteld dat internationale studenten ook Ests taalonderwijs moesten krijgen, zodat de voertaal een gegarandeerde plek krijgt bij opleidingen die in het Engels worden aangeboden. Dit is uiteindelijk verbonden aan de financiering, waardoor universiteiten die dit niet doen mogelijk geld tekort zouden komen. De universiteiten lossen dit op door Engelse cursussen te geven over de Estse taal en cultuur. Er is daarmee een duidelijke scheiding tussen wat de regering wil en wat de universiteiten willen.

In Estland en Letland wordt meer gesproken over de taal als onderdeel van de cultuur, terwijl in Nederland de economische kant meer de toon lijkt te voeren. In een interview stelt een docent dat het hier meer gaat om rankings, waardoor universiteiten meer als “bedrijven worden gerund”. Er komt meer geld binnen als de universiteiten buitenlandse studenten aantrekken. Hij vind daarom dat de politiek moet ingrijpen. Moeten we misschien toch kijken naar de regels in Estland en Letland?


Bron: https://www.onderwijsinspectie.nl/documenten/rapporten/2022/04/13/de-staat-van-het-onderwijs-2022


De Aloysius Stichting is een stichting met scholen voor speciaal onderwijs, speciaal basisonderwijs en voortgezet speciaal onderwijs. De stichting verzorgt ook onderwijs aan jongeren in justitiële jeugdinrichtingen en jeugdzorginstellingen. Leerlingen worden voorbereid op een betekenisvolle toekomst in de samenleving en zetten daar o.a. MijnPortfolio voor in.

Jolanda Langewouters is al ruim 12 jaar werkzaam bij de Aloysius Stichting. Gestart bij de ambulante dienst van de stichting, waar ze scholen en leraren ondersteunde bij de begeleiding van leerlingen die het reguliere onderwijs moeilijk vinden. Inmiddels verdeelt ze haar tijd tussen een Aloysius school voor speciaal onderwijs, waar ze de financiën doet en ‘bovenschoolse’ activiteiten voor de gehele Aloysius Stichting.

Jolanda: ”Voor de stichting ben ik functioneel beheerder van verschillende programma’s en mede-projectcoördinator voor Cozima en Sustein. Dit zijn projecten gericht op het implementeren van een digitaal portfolio in het speciale onderwijs, in verschillende Europese landen. Hiervoor wordt MijnPortfolio gebruikt!”

Cozima en Sustein

Jolanda: ”In 2015 zijn we vanuit de Aloysius Stichting gestart met het ontwikkelen van een digitaal portfolio voor leerlingen die een afstand hebben tot de arbeidsmarkt. Die halen vaak geen regulier diploma van het VMBO. Gedurende hun schoolcarrière doen de leerlingen veel positieve ervaringen en vaardigheden op die wij willen vastleggen, zodat ze iets kunnen meenemen waar zij trots op mogen zijn. Dat is voor hen erg lastig om zelf te doen, dus met een digitaal portfolio wilden wij hen daar extra ondersteuning bij bieden. We willen zo hun competenties vast kunnen leggen en zichtbaar maken. Hier komt ook de naam Cozima vandaan (COmpetenties ZIchtbaar MAken). Een portfolio dat een duidelijk overzicht biedt van wat zij in huis hebben.”

Een Duitse school hoorde van Sustein en was nieuwsgierig geworden. Één van onze partners heeft een presentatie gegeven die de nieuwe school ook bijwoonde en die zijn direct enthousiast geraakt.

“Voor het ontwikkelen van het Cozima ePortfolio hebben we bij de Europese Unie een aanvraag gedaan voor een “Erasmus+“-subsidie. Als je een aanvraag doet, kunnen andere geïnteresseerden deze ook terugvinden in een database. Op deze manier komen scholen in verschillende landen bij elkaar. Wij hebben een school in België en twee scholen in Duitsland gevonden die hetzelfde wilden doen als de Aloysius Stichting. Samen zijn we criteria op gaan stellen voor een digitaal portfolio en zijn wij met Paragin een portfolio gaan inrichten. In eerste instantie wilden we één portfolio voor de vier scholen, maar gaandeweg kwamen we erachter dat de verschillende regels in de landen het lastig maakten om het portfolio overal exact hetzelfde in te richten. Iedere school heeft toen toch een eigen portfolio gemaakt.

Elke school is daar mee aan de gang gegaan. Vanuit onze Duitse partner kregen we een extra verzoek, omdat zij werkgevers en stageplekken wilden registreren in het portfolio. Dat leek hen nuttig, omdat de leerlingen dan meteen alle informatie, beoordelingen en verslagen op één plaats bij elkaar hebben. Dit is uiteindelijk project Sustein geworden. Het werd daarmee een groter project, waarmee we werkgevers en begeleiders makkelijker aan het (speciale) onderwijs konden koppelen.

We hebben daarvoor opnieuw een Erasmus+ aanvraag ingediend. Daarmee hebben we drie nieuwe partners erbij gekregen. Één vanuit Litouwen, Italië en Frankrijk. Het is de bedoeling dat Sustein dit jaar wordt afgerond.”

Internationaal project in Coronatijd

“Voor het Cozima project hebben we destijds de Duitse en Belgische partners kunnen ontmoeten. Het idee voor Sustein was tevens om elkaar een aantal keer fysiek te ontmoeten, maar vanwege het coronavirus werd dit natuurlijk onmogelijk. Dit heeft Sustein wel wat lastiger gemaakt, omdat online vergaderen een uitdaging is, zeker met de nieuwe partners die nog hun weg moeten vinden in het portfolio. Vanwege de versoepelingen konden wij afgelopen maart weer in Duitsland afspreken, dat was prettig om te kunnen doen. Je merkte meteen dat de dynamiek en uitwisseling beter werd. Dat komt het leren van elkaar in het project echt ten goede. Dat is ook een belangrijk doel van Erasmus+.”

Verschillen tussen de landen

“In Nederland zijn we echt vooroplopend met digitaal onderwijs. In de andere landen gaat dat wat minder hard. Binnen de Aloysius Stichting hebben leerlingen bijvoorbeeld in bijna alle gevallen een eigen device waar zij op kunnen werken. In Duitsland is dit nog niet zo gangbaar. Dat maakt het volledig implementeren van een digitaal portfolio in die landen dus toch wat minder snel. De andere wetgeving werkt ook wat tegen, het is dus erg wisselend hoe snel we de implementatie voor elkaar krijgen.

Leuk om te zien is dat nu ook andere scholen aanhaken. Een Duitse school hoorde van Sustein en was nieuwsgierig geworden. Een van onze partners heeft een presentatie gegeven die de nieuwe school ook bijwoonde en die waren direct enthousiast geraakt. Mooi om te zien dat het project zich uitbreidt! Ook vanuit scholen in Nederland krijgen wij verzoeken om ons portfolio te laten zien.”

Aan de slag

“Zelfstandig werken is voor onze doelgroep wat lastig. Het exacte ‘pad’ vinden wat ze in het Cozima portfolio moeten volgen is voor sommige leerlingen moeilijk. We zijn daarom altijd aan het kijken hoe we het hen zo makkelijk mogelijk kunnen maken. Denk hierbij aan het aanpassen van het design: de weg binnen het portfolio vinden door meer met pictogrammen te gaan werken en zo min mogelijk taal te gebruiken. Ook heeft een van onze partners een video gemaakt, zodat de leerlingen de algemene handelingen van tevoren aangeleerd krijgen. Daarnaast gaan wij meer gericht gebruikers en docenten trainen en via webinars de handige tools die het gebruik aantrekkelijker maken, introduceren.

Mede door corona zijn leerlingen zelf natuurlijk ook weinig op school geweest en hebben docenten weinig persoonlijke ondersteuning kunnen geven. Nu er meer versoepeld wordt verwachten wij dan ook dat we nu weer grote slagen kunnen gaan maken! Onlangs hebben wij bijvoorbeeld binnen Cozima voor de Aloysius Stichting een nieuwe tool geïmplementeerd waarmee VSO-leerlingen die uitstromen naar arbeid of dagbesteding hun kennis en competenties kunnen vastleggen. Door dit aantoonbare bewijs te overleggen, kunnen zij aan het einde van het schooljaar een diploma uitgereikt krijgen.”

Samenwerking met Paragin

“We hebben heel korte lijnen met Paragin en krijgen veel hulp en ondersteuning. Als we een oplossing zoeken binnen de software wordt er vanuit Paragin graag meegedacht. Zo hebben we binnen het project een QR-code die Paragin in MijnPortfolio beschikbaar heeft gemaakt. Leerlingen kunnen die codes op hun stage laten zien, wat het voor hun begeleiders daar heel makkelijk maakt om bij de MijnPortfolio-omgeving te komen.”


Of je nu docent of student bent, iedereen heeft wel eens last van te veel afleiding. Het leidt ertoe dat je achterloopt op je werk of studie, wat erg vervelend kan zijn. Francesco Cirillo bedacht een oplossing voor tijdmanagement, met behulp van de tomaattimer die hij gebruikte tijdens het koken. De Pomodoro-techniek (Italiaans voor tomaat) was hier het gevolg van.

Hoeveel minuten heb je nodig?

De Pomodoro-techniek zorgt ervoor dat je je tijd effectiever besteedt. Het wordt voornamelijk gebruikt voor studeren, maar het kan net zo goed ingezet worden bij het afronden van je taken op je werk. De techniek moet voorkomen dat je teveel tijd besteed aan het opstarten van het werken of studeren en dat je zo min mogelijk afgeleid raakt door korte pauzes te nemen.

De aanleiding voor de ontwikkeling is dat Cirillo moeite had om zich te concentreren op zijn studie. Hij begon daarom om zijn tomaattimer op 25 minuten te zetten. Hij hield zichzelf voor om zich volledig op één taak te richten en niet afgeleid te raken. Hij nam vervolgens 5 minuten pauze, en zette de timer daarna weer op 25 minuten. Deze sessie van 25 minuten noemde hij een ‘pomodoro’. Nadat hij vier van deze sessies had afgerond, nam hij een langere pauze van een kwartier tot een half uur. Dit vormt nu de basis van de Pomodoro-techniek.

De exacte minuten zijn gebaseerd op wat Cirillo aanbeveelt, maar het kan per persoon erg verschillen hoe lang je je aandacht vast kunt houden. De 25 minuten van de pomodoro zijn dus niet heilig, maar werken voor de meeste mensen erg goed. Het gaat er meer om dat je de pomodoro’s consistent houdt en dat ze altijd even lang duren.

Één pomodoro, twee pomodoro…

De techniek heeft een aantal stappen die voor een goed lopende cyclus zorgen:

  1. Besluit welke taak je precies wilt gaan uitvoeren. De grootte van de taak maakt daarbij niet uit, zo lang je maar helder hebt wát je precies moet doen. Het kan beter werken om grote taken, zoals een langlopend project, in kleinere stukken op te delen. Het wordt ook aanbevolen om een actielijst te maken, met een volgorde van taken, bijvoorbeeld op prioriteit. Dit geeft je niet alleen meer overzicht, het helpt je gedachteproces om niet constant bezig te zijn met taken waar je nog niet bent aanbeland. Je verbetert op deze manier ook je concentratie.
  2. Stel een timer in. Hier komen de 25 minuten in het spel. Het is natuurlijk prima om dit wat aan te passen naar je eigen wensen, het principe van de techniek blijft hetzelfde.
  3. Werk aan de taak. Simpel gezegd: doe alles wat je kunt om je taak af te krijgen. Aan het begin kan het nog wennen zijn, het geeft niet als je nog wat moet veranderen aan de hoeveelheid werk die je voor jezelf inplant.
  4. Beëindig het werk wanneer de timer afgaat en neem een ​​korte pauze. 5-10 minuten is hier aanbevolen. Je kunt vooraf wat activiteiten bedenken die je wilt doen in je pauze.
  5. Als je minder dan vier pomodoro’s hebt gemaakt, ga dan terug naar stap 2 en herhaal totdat je er vier hebt doorlopen.

Als de vierde pomodoro af is, neem je een langere pauze. Dit geheel kun je beschouwen als één sectie van pomodoro’s. Gebruik deze als extra indeling voor grotere taken, die meerdere secties nodig hebben om af te ronden.

Help! Ik word afgeleid!

Je kunt soms maar moeilijk voorkomen dat je wordt afgeleid en je gedachten afdwalen naar andere dingen. Hoe zorg je dan dat je je aan je techniek blijft houden?

Je kunt tijdens je taken met je gedachten gaan afdwalen naar leuke dingen die je op dat moment misschien liever doet. Dat is heel normaal, maar het komt je productiviteit niet ten goede. De Pomodoro-techniek ‘schrijft’ daarom voor om deze gedachten dan ook op te schrijven! Als je een speciale lijst hebt waar je die dingen kwijt kunt, helpt het om je weer op je werk te focussen. Je schrijft de gedacht als het ware van je af.

Als er in de omgeving veel afleiding is, bijvoorbeeld door collega’s, is het goed om dit zo snel mogelijk aan te pakken. Je kunt dit doen door direct te zijn en meteen aan te geven dat je druk aan het werk bent. Als de andere persoon je nodig heeft, geef dan direct een ander tijdstip aan waarop je wel beschikbaar bent en kom die afspraak ook na. Je bent dan ook betrouwbaar en zijn mensen minder geneigd om je continu te storen.


Als er een verandering plaatsvindt in je organisatie, zal er bijna altijd iemand zijn die dit lastig vindt. Dit kan bijvoorbeeld zijn doordat die persoon het nut ervan niet in ziet of het moeilijk vindt om met de verandering te werken. Bij het invoeren van een technologische ontwikkeling komt dit ook regelmatig voor. Het kan daarom handig zijn om vooraf inzicht te krijgen in de user experience; hoe mensen het product ervaren. Het Technology Acceptance Model (TAM) onderzoekt een aantal variabelen hiervan. Dit kan mogelijk verklaren waarom een technologische vernieuwing wel of niet aanslaat. 

Nuttig en gebruiksvriendelijk

Het TAM werd in 1989 ontwikkeld door Fred Davis. Het kan aantonen in welke mate iemand de intentie heeft om een bepaalde technologie te gaan gebruiken. Dit is natuurlijk afhankelijk van verschillende factoren in wisselende context. Om die reden zijn er veel varianten op het model bedacht. Er zijn een aantal constante variabelen die in elke variant terugkomen:

  • Perceived ease of use: Davis definieerde dit als “de mate van inspanning die iemand verwacht bij het gebruik van een bepaalde technologie”. Simpel gezegd: kost het gebruiken van de technologie veel moeite? Moet een gebruiker er veel voor doen om het aan te leren?
  • Perceived usefulness: Dit werd door Davis gedefinieerd als “de mate waarin iemand denkt dat het gebruik van de technologie hun werkprestatie zal verbeteren”. Vinden mensen de technologie nuttig om te gebruiken voor hun huidige werkzaamheden? Leidt het tot minder inspanning voor hetzelfde resultaat?
  • Attitude towards technology: Davis stelde dat de bovenste twee factoren vervolgens leiden tot een zeker houding tegenover een technologie. Als een persoon de technologie als nuttig en gebruiksvriendelijk ziet, dan zal dat een positieve houding als gevolg hebben en is het waarschijnlijker dat die persoon het product in gebruik neemt.

Een belangrijk punt bij deze variabelen is dat het verwachte gebruiksgemak in sommige gevallen invloed kan hebben op de verwachte nuttigheid van een technologie. Mensen verwachten bij een ‘makkelijke’ technologie minder tijd nodig te hebben om het gebruik onder de knie te hebben. Het tegenovergestelde kan dus ook voorkomen: een technologie die moeilijk te gebruiken is, wordt minder nuttig gevonden.

12 stellingen

Als je wilt achterhalen hoe medewerkers tegenover een nieuwe technologie staan, is dat eenvoudig te doen en het kost relatief weinig tijd. Het meten van de perceived ease of use en perceived usefulness kan namelijk met behulp van korte vragenlijsten. Davis bestudeerde hiervoor literatuur over technologie-adoptie en kwam uiteindelijk uit op zes standaard vragen per onderdeel, 12 items in totaal. Natuurlijk is het handig om bij de eigen context nog extra, relevante vragen toe te voegen.

Stel je zou willen weten hoe je medewerkers over RemindoToets denken, zou dat er als volgt uit kunnen zien:

Items voor nuttigheid

  1. Door RemindoToets in mijn werk te gebruiken, zou ik taken sneller kunnen uitvoeren.
  2. Het gebruik van RemindoToets zou mijn werkprestaties verbeteren.
  3. Als ik RemindoToets op mijn werk gebruik, zal mijn productiviteit toenemen.
  4. Het gebruik van RemindoToets zou mijn effectiviteit op het werk verhogen.
  5. Het gebruik van RemindoToets zou het makkelijker maken om mijn werk te doen.
  6. Ik zou de inzet van RemindoToets nuttig vinden op mijn werk.

Items voor gebruiksgemak

  1. Het zou voor mij gemakkelijk zijn om RemindoToets te leren gebruiken.
  2. Ik zou het makkelijk vinden om RemindoToets te laten doen wat ik wil dat het doet.
  3. Mijn interactie met RemindoToets zou duidelijk en soepel verlopen.
  4. Ik zou RemindoToets flexibel vinden om mee te werken.
  5. Het zou voor mij gemakkelijk zijn om vaardig te worden in het gebruik van RemindoToets.
  6. Ik zou RemindoToets gemakkelijk te gebruiken vinden.

De antwoorden op deze vragen zijn vervolgens een voorspeller op de eerder genoemde attitude towards technology. Hoe positiever de antwoorden, hoe beter de houding.

Het is niet vanzelfsprekend dat mensen een positieve houding hebben tegenover technologie, zoals software. Er zijn immers ook externe variabelen die van invloed kunnen zijn, waar je wel of geen controle over zal hebben. Je kunt de houding van medewerkers wel verbeteren door ze goed voor te bereiden. Denk aan een presentatie of training om mensen kennis te laten maken met het product. Je neemt dan zo veel mogelijk twijfels weg doordat mensen er zelf ervaring mee opdoen, in plaats van hun mening baseren van een afstand.


Bron: Davis, F.D. (1989), “Perceived usefulness, perceived ease of use, and user acceptance of information technology”, MIS Quarterly, Vol. 13, No. 3, pp. 319-340


In het artikel “Effectiever onderwijs” in onze vorige nieuwsbrief, ging het over verschillende manieren waarop het onderwijs effectiever gemaakt kan worden. Daarin werd ‘scaffolding’ kort benoemd. In dit artikel willen we daarom ingaan op scaffolding en hoe je dit kunt gebruiken in relatie tot succesvol formatief toetsen.

De laatste jaren is formatief toetsen een welbekend fenomeen geworden in het onderwijs. Uit verschillende onderzoeken blijkt dat niet elke docent het makkelijk vindt om formatief toetsen in hun lessen toe te passen. Ze blijken onvoldoende kennis te hebben van wat formatieve toetsing is en hebben weinig praktische voorbeelden van hoe ze formatieve toetsing kunnen toepassen in hun onderwijspraktijk.

In het artikel wordt formatieve toetsing gedefinieerd als een proces van constante interactie tussen studenten en hun docent. Gulikers en Baartman (2017) hebben dit proces verder gespecificeerd als cyclisch, doelgericht en gericht op het verbeteren van studentprestaties. Op basis van een review van verschillende programma’s voor formatief toetsen, hebben ze een meer generieke cyclus geformuleerd voor formatief toetsen bestaande uit vijf fasen:

De formatieve toetscyclus (Gulikers & Baartman, 2017) – Bron

De meeste programma’s stoppen na het geven van feedback op een formatieve toets (fase 4). Door het toevoegen van de vijfde fase plaatsen Gulikers en Baartman (2017) formatief toetsen in de context van onderwijs. Er wordt wel feedback gegeven, maar dit lijkt niet te worden toegepast op een volgende opdracht. En dit is precies wat nodig is, blijkt uit eerder onderzoek. Vervolgacties moeten plaatsvinden om te kunnen leren van formatieve toetsen. Bovendien stimuleert het studenten om actief betrokken te zijn bij hun leren en verantwoordelijk te zijn voor hun leerproces.

De implementatie van deze laatste fase is volgens Gulikers en Baartman (2017) echter het moeilijkst voor docenten. Het artikel benoemt dat hier verschillende oorzaken voor aan te wijzen zijn. Daarnaast levert de zoektocht naar praktische voorbeelden en richtlijnen voor formatief toetsen docenten weinig op, omdat er amper voorbeelden gegeven worden in de literatuur.  Volgens de auteurs kan er inspiratie gehaald worden uit de literatuur over ‘scaffolding’ omdat zowel formatieve toetsing als scaffolding een groot belang hechten aan actieve interactie tussen docenten en studenten.

Scaffolding is een vorm van (docent)ondersteuning, om studenten hun potentiële prestatieniveau te laten behalen doordat precies de juiste mate van ondersteuning aangeboden wordt die studenten nodig hebben om een stap verder te komen, maar deze hulp ook weer afgebouwd wordt wanneer studenten dat niet meer nodig hebben. In tegenstelling tot literatuur over formatieve toetsing, blijkt literatuur over scaffolding concrete voorstellen te geven over hoe ‘adaptief gedrag’ eruit ziet en beschrijft het ook verschillende scaffolding strategieën.

Een paar voorbeelden zijn: het voordoen van de vaardigheid, instructie geven, (in detail) uitleg geven, hints geven over een deel van de taak, feedback geven zodat de student zichzelf kan verbeteren en vragen stellen. Om deze strategieën effectief in te zetten is het van belang om te weten wat het beheersingsniveau is van studenten. En daar komt het belang van formatieve toetsing en de integratie van beiden bij elkaar in de formatieve toetscyclus.


Wil je ook aan de slag met formatieve toetsing? Met RemindoToets kun je niet alleen summatieve toetsen construeren, maar ook oefentoetsen! Kijk voor meer informatie op https://www.paragin.nl/remindotoets/.


Bronnen:

https://lerenvantoetsen.nl/toolkit-formatief-toetsen/#meerinfo

Stephanie M. A. Kruiper, Martijn J. M. Leenknecht & Bert Slof (2021): Using scaffolding strategies to improve formative assessment practice in higher education, Assessment & Evaluation in Higher Education, DOI: 10.1080/02602938.2021.1927981


Vorige week maakten we bekend dat Paragin het Amsterdamse SOWISO overneemt. SOWISO is een snelgroeiende ontwikkelaar en leverancier van een veelgebruikte toets- en leeromgeving voor STEM-vakken. De software biedt oplossingen aan voor onder andere wiskunde en statistiek

SOWISO is een vertrouwd partner van veel scholen en educatieve uitgevers wereldwijd. Met het samengaan van Paragin en SOWISO hebben we nu twee kantoren (Nijkerk en Amsterdam) en een team van 60 medewerkers! De oprichters van SOWISO, Marc Habbema en Max Cohen, blijven actief betrokken.

We zijn erg blij met deze stap en kijken uit naar de samenwerking met zoveel nieuwe collega’s. Daarnaast denken we dat onze producten elkaar op veel vlakken kunnen versterken. Daarom willen we in dit artikel graag de software en ondersteuning van SOWISO nader aan je voorstellen!


In een eerdere publicatie op onze website vertelden we over de achtergrond van SOWISO, waar zij aan werken en in welke markten zij actief zijn.

Een officieel persbericht vind je op de website van onze investeringspartner, Main Capital.


De software van SOWISO is ontwikkeld om studenten te laten oefenen met wiskunde. Het is een digitaal leerplatform, voornamelijk gericht op studies die een bepaald niveau van wiskunde of statistiek verwachten. Studenten die moeite hebben met dit niveau kunnen mogelijk als gevolg de gewenste studie niet afronden.

Doordat SOWISO zich exclusief richt op wiskunde en statistiek, zijn er veel mogelijkheden voor studenten om zich te ontwikkelen. Het systeem is bijvoorbeeld te gebruiken als oefentool, of als hulpmiddel om huiswerk te kunnen maken. Het biedt daarmee de mogelijkheid voor studenten om door te kunnen oefenen, zo lang als zij zelf willen. Een overzicht van de wiskundetools vind je bijvoorbeeld op deze pagina.

Gepersonaliseerd leren

SOWISO maakt gebruik van gerandomiseerde wiskundevragen die studenten constant blijven uitdagen. Studenten lossen opgaven op in de vorm of een formule, vergelijking, matrix, etc. De vragen zijn open, wat betekent dat studenten de stappen moeten laten zien waarmee ze op hun antwoorden komen. Deze worden vervolgens automatisch verwerkt door de software en van feedback voorzien. Zo worden de studenten altijd weer op weg geholpen.

De leeromgeving van SOWISO analyseert het antwoord van de student en herkent of er een fout in het antwoord zit, en zo ja, waar. Dit maakt het mogelijk om bij een eventuele fout passende hints te geven. De student krijgt feedback op foute antwoorden, maar ook hulp bij correcte tussenstappen. Hierdoor verzorgt het platform op een gerichte manier gepersonaliseerd leren, ook voor grote groepen studenten. Docenten hebben meer tijd om bezig te zijn met het creatieve deel van lesgeven.

Stel je eigen cursus samen

De software van SOWISO helpt docenten ook om een complete cursus samen te stellen. Er is daarvoor een brede selectie van reeds ontwikkelde vragen, maar ook vooraf opgestelde sets van vragen zijn een optie. Het bestaande cursusmateriaal is aan te passen om het nog beter aan te laten sluiten. Dit kan op hoofdlijnen, zoals de cursusstructuur of -inhoud, maar ook op detailniveau, bijvoorbeeld instructie bij de opgaven.

SOWISO is van mening dat docenten in staat moeten zijn de oefeningen te maken die ze willen. Daarom bieden wij docenten toegang tot een grote variëteit aan vraagtypes en auteursfunctionaliteiten om een hoge kwaliteit te garanderen.

Naast de mogelijkheid om bestaande cursussen aan te passen, ondersteunt SOWISO docenten die hun eigen materiaal helemaal zelf willen maken. Docenten kunnen ervoor kiezen om deze materialen te delen met andere organisaties over de hele wereld. Dit maakt het ontwerpen van onderwijs toegankelijker voor alle klanten die bij SOWISO zijn aangesloten.

OMPT

SOWISO is ook de organisatie achter OMPT: de Online Mathematics Placement Test. Deze gecertificeerde toetsen, samengesteld met hulp van experts in het hoger onderwijs, beoordelen de rekenvaardigheid van studenten effectief en helpen universiteiten bij het beoordelen of studenten in aanmerking komen voor een inschrijving. OMPT biedt sollicitanten ook passende oefencursussen ter voorbereiding op deze toetsen. Wanneer studenten toegang hebben gekregen tot de OMPT, kunnen ze hun eigen testlocatie, datum en tijd kiezen. Het enige dat nodig is, is een computer of laptop met webcam en een internetverbinding.

Er zijn zes verschillende OMPT-toetsen, die verschillende onderwerpen hebben. De ‘OMPT-A’-toets bevat bijvoorbeeld onderwerpen uit de basisalgebra en toegepaste analyse en past daarom goed bij sociale wetenschappen, zoals economie. OMPT-B bestaat uit onderwerpen over algebra, trigonometrie en analyse en kan door elk STEM- of econometrisch programma worden gebruikt. De andere vier toetsen zijn weer op andere onderwerpen gericht.

…en nog meer!

  • SOWISO heeft nog meer onderdelen en handige functies! Zo heb je als docent toegang tot rapportages die een overzicht geven van de prestaties van een groep of klas.
  • Studenten die de Python-programmeertaal willen aanleren, kunnen bij SOWISO theorie en opgaven vinden! Ook in dit geval is er al veel bestaande content die zij zelf kunnen aanpassen.
  • Er is een pagina met cursussen te vinden die verschillende onderwerpen tot in detail behandelen: https://sowiso.nl/cursussen/. Deze zijn geschikt voor hbo- en wo-studenten, maar ook voor havo- en vwo-studenten in de bovenbouw.
  • Omdat SOWISO ook in het buitenland actief is, hebben zij daar een speciale website voor. Internationaal staat het bekend als Bolster Academy.

Random… oftewel willekeurig, dat klinkt alsof daarmee een stukje controle over de toets verloren gaat. Zeker omdat je met een random gegenereerde toets niet weet welke vragen er in de toets komen – het heeft geen vaste set aan vragen. Op het moment dat de toets afgenomen wordt, wordt op basis van een aantal eisen aan de vragen, vragen uit de vragenbank gehaald. Wanneer de vragenbank goed beheerd wordt en de toetsmatrijs of -matrix goed in elkaar zit, worden random toetsen ijzersterk.

Zoals een eerder artikel vermeldt, levert random toetsen een aantal voordelen op. Allereerst scheelt het veel werk bij het samenstellen van toetsen en herkansingen en ten tweede zorgt het ervoor dat spieken of het lekken van vragen weinig tot geen zin heeft. Tenslotte zal niet een complete toets op ‘reparatie’ gezet worden wanneer er één of enkele vragen uit een examen vervangen moeten worden omdat – wanneer de vragenbank goed gevuld is – er een andere vraag geselecteerd kan worden die aan de eisen van de toets voldoet.

Dat betekent het volgende:

  1. De vragenbank moet goed gevuld zijn – er moeten meerdere vragen zijn die aan de juiste eisen (eigenschappen) voldoen;
  2. De vragen moeten goed gemetadateerd zijn. Dat betekent dat deze vraageigenschappen benoemd moeten zijn bij de vragen waar het betrekking op heeft. Als er weinig vragen zijn óf als de vragen niet de juiste eigenschappen hebben meegekregen, ziet RemindoToets ze niet en kan het voorkomen dat er slechts één vraag overblijft op basis van de gekozen eigenschappen. Dan is er niets random te kiezen, en wordt dezelfde vraag geselecteerd;
  3. Vragen die niet bij elkaar in de toets mogen zitten uitgesloten moeten zijn.

Wanneer je meerdere vragen ontwikkelt die aan de gestelde eisen voldoen, kost het ontwikkelen van vragen wellicht meer tijd, maar wordt er tegelijk bewuster ontwikkeld om aan alle criteria voor vragen te voldoen. Dit verhoogt de kwaliteit van de vragen. Bovendien zal de tijd die in de ontwikkeling wordt gestopt terugverdiend worden wanneer er uiteindelijk meerdere toetsen afgenomen kunnen worden met één toetsmatrijs.

Hoe maak je nu precies random toetsen met de verschillende toetsmatrijzen die je in RemindoToets kunt kiezen? Dat wordt uitgelegd in de volgende alinea’s.

Toetsmatrijs op basis van regels

Bij een toetsmatrijs op basis van regels kies je, wanneer je een selectie toevoegt aan een regel, de categorie uit en vervolgens aan welke voorwaarden (eigenschappen) het moet voldoen. Bijvoorbeeld moeilijkheidsgraad en/of vraagtype (of elk zelf aangemaakte vraageigenschap). Vervolgens stel je een vraaglimiet in. Zo kun je bijvoorbeeld aangeven dat in een regel twee willekeurig gekozen vragen worden geselecteerd met de eigenschap ‘onthouden’ uit de taxonomie van Bloom. Op deze manier kun je de hele toetsmatrijs opbouwen op basis van een selectie van vraageigenschappen in plaats van een vaste selectie van vragen. Voor uitleg over het maken van een toetsmatrijs op basis van regels, zie Toetsmatrijs op basis van regels.

Toetsmatrijs op basis van een matrix

Eigenlijk gaat een toetsmatrijs op basis van een matrix uit van random toetsen. Met toetsmatrijzen op basis van een matrix selecteer je nooit een vaste set aan vragen, maar werk je standaard op basis van een combinatie van leerdoelen, categorieën en vraageigenschappen waarbij RemindoToets vragen selecteert uit de vragenbank die aan deze combinatie voldoen. Voor uitleg over het maken van een toetsmatrijs op basis van een matrix, zie Toetsmatrijs op basis van een matrix.

Wordt een vraag nooit 2x aangeboden?

Een kandidaat krijgt in principe nooit dezelfde vraag aangeboden. In principe – want er moeten wel vragen te kiezen zijn. Als er maar één vraag beschikbaar is, krijgt een kandidaat wél nog een keer dezelfde vraag aangeboden. Het alternatief zou namelijk zijn dat er géén toets aangeboden zou kunnen worden. Dus nogmaals: een goed gevulde en gemetadateerde vragenbank is een voorwaarde voor random toetsen!