Een goede les, demonstratie of presentatie geven vraagt om een goede voorbereiding, maar het moet ook vloeiend zijn. Je kunt je publiek enthousiast maken als je weet hoe je op een leuke manier kan presenteren. Het is natuurlijk voor jou en je publiek prettig als de presentatie van hoge kwaliteit is. Zorgt dit er echter alleen voor dat je presentatie leuk was om te volgen, of leert je publiek er ook meer van?

Carpenter, Northern, Tauber en Toftness (2021) deden hier onderzoek naar. Ze wilden weten of een hoog niveau van vloeiendheid in een presentatie leidt tot meer kennisoverdracht. Met hun experiment keken ze naar twee variabelen: instructor fluency (de vloeiendheid) en de ervaring van de docent.

De deelnemers aan het onderzoek keken naar een college. Er waren twee varianten: een spreker met lage vloeiendheid en een met hoge vloeiendheid. De helft van de deelnemers kreeg te horen dat ze naar een ervaren leraar zouden kijken en de andere helft naar een onervaren leraar. Sommige deelnemers kregen daardoor wat tegenstrijdige informatie. Ze keken bijvoorbeeld naar een spreker die niet vloeiend sprak toen hen werd verteld dat ze naar een ervaren leraar keken.

Wat was het verschil in presenteren? In het college waarin hoge vloeiendheid te zien was, keek de docent in de camera, sprak soepel en gebruikte ondersteunende gebaren. Voor de andere conditie hield dezelfde docent een inhoudelijk identiek college. De manier waarop de inhoud werd gebracht was echter anders: de leraar keek niet in de camera, las veel aantekeningen van papier en gebruikte een monotone stem.

Scoor je ook echt beter?

Nadat de deelnemers de opgenomen lezing hadden gezien, werd de volgende vraag gesteld: “In ongeveer twee minuten krijgt u een meerkeuzetest over de informatie in de video. Hoe goed denkt u dat u hierin zult scoren?” De deelnemers vulden ook een evaluatielijst in en maakten een meerkeuzetoets over het onderwerp. Achteraf bekeken de onderzoekers of de condities verschilden van gemiddelde score en hoe goed de deelnemers hun eigen scores hadden ingeschat.

Er bleek geen verschil te zitten in de scores tussen de groepen, wat betekent dat de vloeiendheid geen invloed had op prestatie. Deelnemers die de docent met hoge vloeiendheid zagen, schatten zichzelf wel beter in. De ervaring van de docent had hier geen invloed op.

Waarom is vloeiendheid dan belangrijk? En hoe doe je het goed?

Ondanks dat het prestaties niet direct verbetert, is vloeiendheid bij het presenteren zeker niet onbelangrijk. Er kan op een indirecte manier nog een sterke invloed zijn, bijvoorbeeld door meer enthousiasme te creëren bij het publiek. Als dit leidt tot meer betrokkenheid en interesse in het onderwerp, kan dit mogelijk leiden tot betere resultaten.

Het onderzoek van Carpenter, et al. noemt al een aantal factoren voor een vloeiende presentatie. Hiermee komt deze sterker over en geef je het publiek een positievere ervaring. Allereerst zijn je uitstraling en zelfvertrouwen belangrijk om de kijkers betrokken te maken. Een goede voorbereiding is hiervoor essentieel, zodat je het onderwerp van binnen en buiten kent. Het verkleint ook de kans dat je vastloopt met praten.

Verder is een open houding en oogcontact maken met je publiek belangrijk. Het gebruik van gebaren helpt om je boodschap over te brengen. Gebruik bijvoorbeeld gebaren als je een opsomming geeft door met je vingers mee te tellen. Als laatste is correct gebruik van intonatie een goede toevoeging. Je kunt met je stem de kernboodschap als het ware ‘uitlichten’, een punt maken, sfeer creëren en een verhaal zo vertellen dat je publiek er helemaal in zit. Het kost tijd om hier goed controle over te krijgen, omdat de klemtonen plaatsen eerst wat onnatuurlijk kan aanvoelen. Door het regelmatig te oefenen kun je het verloop van je zinnen vloeiender maken zodat je publiek helemaal in je verhaal of uitleg zit.


Bron: Carpenter, S. K., Northern, P. E., Tauber, S., & Toftness, A. R. (2021). Effects of lecture fluency and instructor experience on students’ judgments of learning, test scores, and evaluations of instructors. Journal of Experimental Psychology: Applied, 26(1), 26.


Onze klanten die MijnPortfolio gebruiken weten al dat wij graag met hen meedenken, om hun omgeving zo goed mogelijk te laten aansluiten en zo het platform zo optimaal mogelijk in te zetten. We zetten niet alleen een passende omgeving klaar, we ontwikkelen ook regelmatig nieuwe toevoegingen om onze platforms te verbeteren. In dit artikel vind je een aantal voorbeelden van oplossingen die we samen met klanten hebben bedacht!

Het opzetten van een kennisbank

In het interview met Academie voor Podologie heb je misschien al gelezen dat hun bestaande kennisbank een iets andere inrichting heeft gekregen binnen MijnPortfolio. De kennisbank bevatte veel informatie die studenten konden gebruiken om opdrachten en tentamens te maken. Om de kennisbank in MijnPortfolio te zetten, heeft Paragin de optie aangedragen om de kennisbank een andere structuur te geven. In de Ideeën-module is daar een zoek- en filterfunctie voor.

In de module zijn verschillende categorieën opgesteld die allemaal trefwoorden bevatten. Gebruikers kunnen op een trefwoord klikken, waarna alle onderwerpen met dat trefwoord rechts in beeld te zien zijn. Klik je meer dan één trefwoord aan, dan verschijnen alleen de onderwerpen die alle geselecteerde trefwoorden bevatten. Op deze manier kunnen de studenten van de Academie voor Podologie makkelijk de gewenste informatie vinden. Lukt het met de filters niet om het gewenste onderwerp naar voren te halen? Geen probleem! Er is voor deze module een zoekfunctie toegevoegd, zodat de gebruikers ook zelf de zoektermen kunnen invoeren.

Een overzicht voor beoordelingen

Een kennis- en opleidingscentrum in België stond voor de uitdaging om overzicht te krijgen in alle uitgevoerde beoordelingen. Samen hebben we een beoordelingenoverzicht opgesteld. Hiervoor hebben we de Vragenlijstbeheer-module gebruikt. Zoals de naam al doet vermoeden worden hier normaal vragenlijsten in aangemaakt. Met de aangepaste opzet kan het kennis- en opleidingscentrum hier beoordelingen invoeren en daar een mooi overzicht van maken.

Alle onderdelen die beoordeeld worden, zijn als kolommen naast elkaar weergegeven met daaronder voor elke deelnemer een rij. Door de muis op een onderdeel te plaatsen is te zien waar de deelnemer aan moet voldoen om een voldoende te behalen. Wanneer een beoordeling is ingevuld, krijgt deze een bijbehorende kleur. Een onvoldoende krijgt een rode kleur en een goede beoordeling kleurt groen. Zo kunnen beoordelaars direct in het overzicht zien of een deelnemer een goed, voldoende of onvoldoende heeft behaald.

Processen opzetten voor deelnemers

In de Proces-module kunnen onze klanten een lijst met acties opstellen die de deelnemers moeten uitvoeren. Denk aan opdrachten die bij een bepaalde cursus horen of het inplannen van evaluatiegesprekken over een zekere periode. Je kunt aangeven of er een maximale tijd tussen opeenvolgende acties mag zitten of dat er vanaf het startmoment wordt afgeteld. Bij elke stap die je in je proces plaatst kun je aangeven of er automatisch een of twee herinneringen verstuurd moeten worden. Je kunt met een proces je deelnemers zo automatisch op de hoogte blijven houden van hun deadlines.

Het overzicht in de module geeft door middel van kleurcodering aan of een deadline door een bepaalde deelnemer is behaald. Door gebruik te maken van filters kan er snel en gericht op een specifiek proces of zelfs per deelnemer gezocht worden. Gebruik deze module dus zeker als je eenvoudig zicht wil krijgen op de voortgang van je deelnemers!


Ben je enthousiast geworden om MijnPortfolio uit te proberen? Of wil je er graag meer over weten? Kijk dan eens op onze website voor meer informatie of neem contact met ons op!


Kennisnet heeft een viertal technologische ontwikkelingen geselecteerd, waarvan wordt voorspeld dat deze in de komende 5 jaar een beslissende rol gaan spelen in het onderwijs. Er wordt verwacht dat een doorbraak in de ontwikkeling een grote impact kan hebben. In dit artikel worden deze onderwerpen kort samengevat.

Kennisnet verwacht dat de selectie van de vier onderstaande onderwerpen er uit zal springen.

  • Artificial intelligence (AI)
  • Internet of things (IoT)
  • Ontwikkeling van interfaces
  • Vertrouwen en de digitale wereld

Artificial intelligence (AI)

Artificial intelligence (AI) is het vermogen van computers om taken uit te voeren waarvoor mensen hun intelligentie inzetten. Denk aan interactie met de omgeving, analyseren, redeneren, problemen oplossen en voorspellen. Je vindt artificial intelligence in ‘voice assistants’ op een smartphone of zelfrijdende auto’s. Artificial intelligence wordt op sommige gebieden in het onderwijs al gebruikt. We kunnen zo het leerproces van een leerling steeds beter volgen, analyseren en voorspellen en dat ondersteunt leraren om de juiste beslissingen te nemen over de leerroute van een leerling. De verwachting is dat AI de komende jaren nog sterker zal verbeteren.

Internet of things (IoT)

Het internet of things (IoT) gaat over alledaagse gebruiksvoorwerpen of apparaten die verbonden zijn met het internet. Ze wisselen gegevens uit zonder tussenkomst van mensen. Denk aan slimme deurbellen, verlichting, thermostaten en koelkasten. Dankzij IoT-apparaten worden we in onze dagelijkse bezigheden steeds meer ondersteund door computers zonder dat we ons daarvan bewust zijn. Er zijn nog niet veel toepassingen specifiek voor het onderwijs, maar dat lijkt een kwestie van tijd. Een mogelijk voorbeeld is dat onderwijs ook op mobiele apparaten steeds beter toegankelijk zullen worden.

Ontwikkeling van interfaces

Via de interface kan een mens met een computer ‘praten’ en de computer taken laten uitvoeren. Hiervoor werd meestal een toetsenbord, muis en beeldscherm gebruikt. Tegenwoordig zijn de interfaces steeds geavanceerder en vinden we ze op veel meer apparaten terug. Hierbij kun je denken aan interfaces die te bedienen zijn door middel van aanraking, beweging of spraak als touchscreens, slimme speakers en VR-brillen. Het onderwijs werkt al een aantal jaar met verschillende van deze apparaten, zoals smartboards. De VR-brillen zijn ook steeds meer in opkomst en hier zal in het onderwijs meer toepassing voor komen.

Vertrouwen en de digitale wereld

Technologie kan positief bijdragen aan het creëren van vertrouwen. Een goed voorbeeld hiervan zijn websites met reviews over bedrijven of producten. Het oordeel van anderen helpt je een goed hotel te kiezen of een goed product te kopen. Maar technologie kan ons vertrouwen ook schaden, bijvoorbeeld door fake news berichten of ondoordachte algoritmen. In het onderwijs hebben we te maken met een kwetsbare doelgroep – kinderen – en met keuzes en adviezen die van invloed zijn op die kwetsbare doelgroep. Juist in het onderwijs is vertrouwen daarom een belangrijk begrip. In de komende jaren zal hier in het onderwijs meer aandacht aan worden geschonken.


Bron: Kennisnet – Belangrijkste technologische trends voor het onderwijs


De taxonomie van Bloom is een bekend model dat als hulpmiddel dient bij het opzetten van onderwijs. Het wordt gebruikt bij het formuleren van leerdoelen en hieraan gerelateerde acties en producten. De taxonomie biedt een handige structuur en is een praktisch hulpmiddel bij de formulering van leerdoelen. In dit artikel wordt de onderverdeling toegelicht.

Hoge en lage orde

De taxonomie van Bloom wordt onderverdeeld in twee soorten vragen: hoge orde en lage orde. Bij hoge orde vragen en opdrachten, zijn voor het antwoord of de uitvoering de vaardigheden ‘analyseren’, ‘evalueren’ of ‘creëren’ nodig. Het zijn vragen en opdrachten die zich richten op:

  • Stimuleren van leerlingen om verder en meer kritisch na te denken;
  • Stimuleren van het probleemoplossend denkvermogen;
  • Ontlokken van discussie;
  • Stimuleren van leerlingen om zelfstandig op zoek te gaan naar informatie.

Lagere orde vragen, zijn vragen die een beroep doen op de vaardigheden ‘onthouden’, ‘begrijpen’ en (deels) ’toepassen’. Dit type vragen is geschikt voor:

  • Evalueren van de voorbereiding en het begrip van leerlingen;
  • Vaststellen van de sterktes en zwaktes van leerlingen;
  • Herhalen en samenvatten van gegeven informatie.

Zes niveaus

De bovenstaande vaardigheden worden onderverdeeld in zes niveaus. De eerste drie vallen onder de lage orde, de laatste drie onder hoge orde. Elk niveau is te associëren met een aantal werkwoorden en vraagstellingen. Deze worden hieronder kort toegelicht.

  1. Onthouden

Onder onthouden verstaan we het kunnen ophalen van informatie. Daarmee worden niet alleen simpele feiten bedoeld, maar ook complexe theorieën. De doelen van dit onderdeel zijn het kennen van bijvoorbeeld basisbegrippen, methoden en procedures. Een aantal werkwoorden die hiermee geassocieerd worden zijn: herkennen, opsommen, identificeren en benoemen. Door vragen te stellen als “Wat is de definitie?” of “Wat gebeurde er?” wordt er ingespeeld op het herinneren van de juiste informatie.

  1. Begrijpen

Als je bepaalde informatie begrijpt, dat kun je die informatie een zekere betekenis geven. Je kunt bijvoorbeeld een onderwerp samenvatten, beschrijven, interpreteren of voorspellen aan de hand van de informatie die je hebt. Ook de vraagstelling gaat een stap verder. Denk bijvoorbeeld aan “Geef een samenvatting van…” en “Geef een voorbeeld van…”.

  1. Toepassen

Na het begrijpen van kennis moet deze toegepast kunnen worden. Vaak gaat het om een concrete situatie, waarbij een specifieke opdracht of probleem wordt voorgelegd. Studenten moeten concepten, principes en procedures laten zien. Dit kan door bijvoorbeeld een demonstratie of andere vorm van kennis presenteren.

  1. Analyseren

Analyseren is het eerste onderdeel van hoge orde leren. Dit is het opdelen van informatie op zo’n manier, dat de structuur bestudeerd en begrepen wordt. Denk hierbij aan het herkennen van patronen, organiseren van onderdelen en het uiteenzetten van redeneringen. Het is een logische stap na het toepassen. Docenten kunnen verdieping creëren door te vragen naar argumentatie, alternatieve antwoorden of een andere vraag.

  1. Evalueren

In dit stadium moet een student eigen of andermans werk kunnen evalueren: het beoordelen op basis van (zelf opgestelde) criteria. Heeft het afgeronde werk de gewenste waarde? Vaak hoort hier het toekennen van een cijfer bij. De student kan verder aangeven of iets correct onderbouwd is en of er logische consistentie aanwezig is. Ook kan een student de eigen beslissingen motiveren.

  1. Creëren

Het laatste stadium heeft als doel om met de geleerde kennis nieuwe ideeën, oplossingen en producten te ontwikkelen. Een student heeft bijvoorbeeld de kennis om een nieuwe uitvinding te doen voor een gegeven probleem. In dit stadium moet vaak kennis uit meerdere disciplines worden gecombineerd en samengevoegd voor probleemoplossing.


Bron: https://talentstimuleren.nl/thema/stimulerend-signaleren


Het geven en ontvangen van feedback verloopt anders in de coronacrisis. Docenten en studenten zien elkaar minder en hebben daarom minder mogelijkheid om op een persoonlijke manier te spreken. Dit kan het lastig maken om feedback zo goed mogelijk over te laten komen, omdat het sociale aspect van feedback erg belangrijk is. Het geven van positieve feedback kan uiteindelijk bijdragen aan de motivatie en zelfverzekerdheid van studenten. Er zijn een aantal manieren om feedback ook in een online omgeving persoonlijker en positiever te maken.

Waar bestaat feedback uit?

Feedback is een samenhang van cognitieve, sociale en structurele dimensies. Het cognitieve gedeelte betreft de inhoud van feedback. Welke informatie bespreek je precies als je feedback geeft? Daarbij moet je rekening houden met de ontvanger en hoe deze de informatie kan verwerken. Feedback heeft tevens een belangrijk sociaal aspect. Wat is de relatie tussen de gever en de ontvangen van de feedback? Er zal verschil zitten in de feedback van een docent en die van een medestudent. Niet alleen omdat studenten over het algemeen op hetzelfde niveau staan, maar ook omdat docenten bijvoorbeeld cijfers toekennen. Dit kan de onderlinge relatie beïnvloeden. Als laatste is er nog het structurele onderdeel, wat ingaat op de opzet van het geven van feedback. Zijn er bijvoorbeeld feedbackrondes met meerdere personen? Of zitten er vereisten aan de feedback? Dit kan invloed hebben op de kwaliteit van de feedback.

Deze drie dimensies vormen samen de basis van het geven van feedback. Dat maakt echter nog niet dat feedback vanzelf positief zal zijn.

Wanneer is feedback positief?

Met positieve feedback doelen we niet op het complimenteren van dingen die goed zijn gegaan. Het gaat om het geven van verbeterpunten op zo’n manier dat het studenten motiveert en inspireert. Dit kan lastiger zijn in een online omgeving, omdat docent en student elkaar vaak niet kunnen zien. Het fysieke en gedeeltelijk het sociale aspect mist ook, waardoor het moeilijker wordt om bijvoorbeeld de reactie van de student te kunnen peilen. Docenten doen er daarom goed aan om hun manier van feedback geven hierop aan te passen.

Het voordeel van een online medium is dat het geven van feedback op verschillende manieren kan gebeuren. Docenten hebben ervaring met het geven van schriftelijke feedback, wat doorgezet kan worden. Vanwege het beperkte contact moet de feedback wel behulpzaam, aanmoedigend en zorgvuldig zijn. Verschillende media kunnen ook gebruikt worden om studenten te betrekken, zoals gifs, afbeeldingen, video’s, of andere beloningen die naast de bedoelde boodschap ook humor of plezier bieden. Feedback gebruiken als een kans om de aandacht van studenten te trekken kan helpen om een band op te bouwen, en zo de emotionele afstand tussen de docent en de student te verkleinen.

Wat kan nog meer helpen om een student te stimuleren?

Als je ambitieus bent, kun je ook sommige onderdelen van de cursus ‘gamificeren’, waarbij studenten digitale badges krijgen bij het afronden van een opdracht. Individuele feedback kan op privéopdrachten of publieke discussieruimtes worden gegeven. In beide gevallen kan positieve feedback emoticons bevatten (bijvoorbeeld een glimlach of een duim omhoog) om studenten je goedkeuring te tonen. Op die manier werken ze als positieve bekrachtiging. Deze kleine gebaren kunnen de studenten tonen dat ze gezien worden. Misschien nog wel belangrijker is dat dit kan helpen om het depersonaliseren tegen te gaan.


Bron: Latifi, S., Noroozi, O., & Talaee, E. (2021). Peer feedback or peer feedforward? Enhancing students’ argumentative peer learning processes and outcomes. British Journal of Educational Technology, 52(2), 768-784.


Het is bekend dat jongere generaties over het algemeen weinig moeite hebben met nieuwe technologie en software. Oudere volwassenen vinden het echter vaak lastig om dit op te pakken, omdat het wordt gezien als een grote uitdaging. Juist omdat ontwikkelingen op het gebied van technologie en media zo snel gaan, is het belangrijk om ook deze groep mensen mee te nemen in dit proces. Welke uitdagingen zijn dit? En hoe lossen we dit op?

Barrières

Het is lastig om een groep mensen mee te nemen in een ontwikkeling, wanneer er verschillende barrières zijn die doorbroken moeten worden. Slechts een derde van de 50-plussers vindt zichzelf bekwaam op het gebied van computers, smartphones of andere ‘slimme’ apparaten. Het komt regelmatig voor dat zij zich onbekwaam voelen, omdat deze technologie zich zeer snel ontwikkelt en zij dat niet kunnen bijbenen. Daar staan jongeren sterk mee in contrast, want 75% daarvan vindt dat zij goed om kunnen gaan met diezelfde technologie. Dezelfde verhoudingen zien we terug bij het gebruiken van software.

De onbekendheid met software kan erg lastig zijn voor oudere generaties, zeker wanneer begeleiding uitblijft. Handleidingen zijn niet duidelijk genoeg, bijvoorbeeld door te moeilijk taalgebruik. In andere gevallen worden vragen wel opgelost, maar zonder duidelijk te maken op welke manier de gebruiker dit de volgende keer zelf kan doen. Verder is gebrek aan communicatie een veel voorkomend probleem, wat kan leiden tot onzekerheid.

Een belangrijk gegeven hierbij is dat oudere generaties wel gedreven zijn om nieuwe technologie aan te leren. Zij vinden het daarom ook jammer dat ze niet volledig in staat zijn om hardware en software volledig te benutten. Door de bestaande barrières weg te nemen moet de gedrevenheid van deze generaties beter tot zijn recht kunnen komen.

Hulpmiddelen

Op welke manier kunnen de oudere generaties ondersteund worden? Op de eerste plaats kunnen ontwikkelaars van hardware en software keuzes maken in het design van hun producten. Denk hierbij aan het toevoegen van hulpmiddelen, zoals het toegankelijk maken van documentatie of andere ondersteunende functies. Zo heeft Paragin in de RemindoToets-software een knop voor toegang tot de Kennisbank en is er met een extern account beschikking tot de ReadSpeaker-functionaliteit.

Buiten de ontwikkelaars om zijn werkgevers in een belangrijke positie om goede ondersteuning te bieden. Extra aandacht voor degenen die moeite hebben met het hanteren van computers en software kan een belangrijke stap zijn. Denk hierbij aan het aanbieden van een extra cursus of het onderzoeken van de ervaringen van werknemers. Een continue evaluatie op dit gebied kan er voor zorgen dat werknemers meer vertrouwen in zichzelf kunnen hebben op het gebied van technologie.

Werknemers kunnen elkaar ook ondersteunen. Een methode die mogelijk goed werkt is het koppelen van degenen die sterk zijn met moderne technologie aan anderen die er minder goed mee om kunnen gaan. Een optie is het matchen van jongere en oudere werknemers, die aan elkaar respectievelijk hulp kunnen bieden en ontvangen. Een mooie bijkomstigheid hiervan is dat er een sterke vertrouwensband kan ontstaan, waardoor werknemers elkaar sneller durven te benaderen.


Bronnen:

Oh, E., & Reeves, T. C. (2014). Generational differences and the integration of technology in learning, instruction, and performance. In Handbook of research on educational communications and technology (pp. 819-828). Springer, New York, NY.

Vaportzis, E., Giatsi Clausen, M., & Gow, A. J. (2017). Older adults perceptions of technology and barriers to interacting with tablet computers: a focus group study. Frontiers in psychology, 8, 1687.

https://www.pewresearch.org/internet/2017/05/17/barriers-to-adoption-and-attitudes-towards-technology/


Dit artikel is afkomstig van onze partner Federatie Medisch Specialisten.


Een kennistoets die gekoppeld is aan de leerdoelen uit het opleidingsplan. Klinkt logisch, maar zover komen is nog een hele kunst. Met hulp van toetsexperts vanuit Opleiden 2025 heeft de Nederlandse Vereniging van Artsen voor Longziekten en Tuberculose (NVALT) haar jaarlijkse verplichte kennistoets een inhoudelijke boost gegeven. ‘We hebben echt een flinke verbeterslag kunnen maken’, zegt longarts Monique Reijers, voorzitter van het Concilium.

Opleiden 2025 stelt aan de toetscommissies van alle wetenschappelijke verenigingen didactische expertise beschikbaar om de jaarlijkse toetsen inhoudelijk te optimaliseren en te digitaliseren. ‘En dat was nodig, stelt vijfdejaars aios longgeneeskunde Laurien Keulers, voorzitter van het aios-bestuur van de NVALT. ‘Vanuit ons bestuur is hard gelobbyd voor een betere kennistoets. Voorheen was de toets gebaseerd op de Europese toets voor longgeneeskunde. Daar kwamen vragen in voor die niet realistisch waren voor de Nederlandse praktijk, bijvoorbeeld over het buitenlandse antibioticabeleid. Nu sluit de toets goed aan bij de EPA’s uit het opleidingsplan’.

Toetsmatrijs

De basis van de nieuwe jaarlijkse kennistoets wordt gevormd door de zogeheten toetsmatrijs: een schematische blauwdruk van de toets. De toetsmatrijs legt de verbinding tussen de onderwerpen en leerdoelen uit het opleidingsplan en de te ontwikkelen toetsvragen gericht op kennis, inzicht en toepassing. Reijers: ‘Nu kunnen we gericht vragen maken die niet alleen aansluiten bij de EPA’s die in onze opleiding aan bod komen, maar ook bij de leerdoelen die we per opleidingsjaar in ons opleidingsplan hebben vastgesteld. Door deze systematiek hopen we de ontwikkeling van aios door de jaren heen beter te kunnen volgen.’

Vragen uitwisselen

‘Meerdere wetenschappelijke verenigingen zijn op dit moment bezig met het samenstellen van een toetsmatrijs’, aldus Jan van Lith gynaecoloog en voorzitter van het deelproject Structureel (door)ontwikkelen en samenwerken van project Opleiden 2025. ‘Dat juichen we van harte toe. Vanwege de inhoudelijke kwaliteitsslag, maar ook omdat het makkelijker wordt om toetsvragen uit te wisselen. Als ieder specialisme dezelfde toetsstructuur en hetzelfde toetssysteem gebruikt, kun je met wederzijdse toestemming elkaars vragen inzien en delen.’ Reijers: ‘Uitwisseling van vragen lijkt me heel handig. Ik kan me goed voorstellen dat wij kennisvragen van de cardiologie overnemen, bijvoorbeeld over dyspneu bij hartfalen. Of dat huisartsen toetsvragen van ons overnemen, bijvoorbeeld over de behandeling van een longontsteking.’

Direct feedback

Voor de landelijke kennistoetsen heeft Opleiden 2025 het online toetssysteem RemindoToets beschikbaar gesteld voor alle wetenschappelijke verenigingen. In het najaar van 2020 hebben al vijf wetenschappelijke verenigingen hun toets via RemindoToets afgenomen, daarnaast zijn tien wetenschappelijke verenigingen bezig met de voorbereiding voor toetsafname in RemindoToets in 2021.

In het digitale toetssysteem kunnen eenvoudig afbeeldingen en video- of geluidsfragmenten aan toetsvragen worden toegevoegd. Ook is een functie ingebouwd die directe feedback op de antwoorden mogelijk maakt. Keulers: ‘Eerder hadden we alleen een klassikale nabespreking. Direct feedback krijgen werkt beter: dan zie je meteen in welke domeinen jouw persoonlijke hiaten liggen, zodat je weet waar je aan moet werken.’

Vak apart

Een toetsexpert van Opleiden 2025 hielp de werkgroep bij de formulering van vragen en antwoorden. Reijers: ‘Dat is echt een vak apart. Welke woorden kies je, zodat je precies vraagt wat je wilt weten? Hoe zorg je ervoor dat vragen of antwoorden niet multi-interpretabel zijn? Heel leerzaam om hier samen met een deskundige naar te kijken.’ Van Lith: ‘Alle wetenschappelijke verenigingen kunnen de expertise van Opleiden 2025 inschakelen om hun toets inhoudelijk te verbeteren.’


Bron: https://medischevervolgopleidingen.nl/kennistoets-drastisch-verbeterd


Het opzetten van een leertaak kan soms eenvoudig lijken, maar vaak kan er achter een simpele taak al een lang leerproces zitten. Om een leertaak op een goede manier op te zetten is het nuttig om daar een handleiding bij te hebben. Het boek ‘Ten Steps to Complex Learning’ zet een stappenplan uiteen, dat gevolgd kan worden om een passende (complexe) leertaak aan te kunnen bieden.

Vier hoofdcomponenten

Het tien-stappen model uit het boek vindt zijn basis in het bekende 4C/ID model. Daar wordt gebruikt gemaakt van vier hoofdcomponenten die nodig zijn voor onderwijsontwerp. Dit zijn:

  • Leertaken: een bepaalde opzet van opdrachten die oplopen in moeilijkheid en complexiteit
  • Ondersteunende informatie: dit is nodig om een taak uit te kunnen voeren
  • Procedurele informatie: bepaalde aspecten of regels die aangeleerd moeten worden
  • Deeltaken: oefeningen voor specifieke onderdelen van een overkoepelende taak

Deze vier componenten zijn ook terug te vinden in het tien stappen-model. De zes toegevoegde onderdelen staan daar tussen gepositioneerd.

De tien stappen

Stap 1. Leertaken ontwikkelen

Net als bij het 4C/ID-model is het ontwikkelen van de leertaken de eerste stap. Hier wordt de opbouw van de leertaak bedacht. Daarnaast moet nagedacht worden over de (afbouw van) ondersteuning, probleemoplossing en afwisseling van oefeningen voor deze taak. Het is daarbij van belang dat een leertaak een weerspiegeling moet zijn van de werkelijkheid.

Stap 2. De volgorde van leertaken bepalen

Welke taak moet er eerst komen? Dat kan belangrijk zijn, bijvoorbeeld als een leertaak onderdeel kan uitmaken van latere, meer complexere taken. Dit kan ook betrekking hebben op onderdelen die in een leertaak zelf zitten. Dit worden deeltaken genoemd, waarbij opnieuw minder complexe onderdelen als eerst behandeld moeten worden.

Stap 3. Doelen bepalen

Bij een taak moet een bepaald doel bereikt worden, om zo te kunnen meten of iemand de leertaak beheerst. Dit wordt gedaan aan de hand van de vaardigheden die nodig zijn om de taak af te kunnen ronden. De doelen worden geformuleerd en eventueel geclassificeerd. Vervolgens moet een passende methode voor het meten worden gevonden.

Stap 4. Ondersteunende informatie ontwerpen

Als een leertaak compleet nieuw is, kan iemand niet zonder ondersteuning de doelen behalen. Daar is ondersteunende informatie voor nodig, die de lerende helpt om processen of handelingen toe te lichten. Dit kan in alle soorten vormen, zoals teksten, video’s en colleges, maar het moet wel een logische keuze zijn die bij de taak aansluit. Hierbij moet nagedacht worden over ingebouwde feedback en welke media nodig is om de informatie te presenteren.

Stap 5. Analyseren van cognitieve strategieën

Een cognitieve strategie is een bepaalde manier om een probleem op te kunnen lossen. In deze stap wordt de strategie onderzocht en worden er verschillende SAP’s opgezet. Dit staat voor Systematic Approach to Problem-solving. Een voorbeeld hiervan is handelingen voordoen of een stappenplan aanreiken dat nodig is voor het oplossen van de leertaak. De lerende kan zo leren wat er gedaan moet worden.

Stap 6. Analyseren van mentale modellen

Welke denkwijze hanteert iemand die de vereiste taak moet gaan oplossen? Dit wordt helder door te kijken naar specifieke domeinmodellen en intuïtieve handelingen. Deze kunnen per taak sterk verschillen. Daarbij hangt dit samen met de cognitieve strategieën uit de vorige stap.

Stap 7. Procedurele informatie ontwerpen

Onder procedurele informatie valt het toelichten van handelingen aan de lerende. Dit gebeurt door het geven van informatie-overzichten, voorbeelden of demonstraties. Daarnaast is corrigerende feedback hier een onderdeel van. Een docent moet zorgen dat de handelingen correct worden uitgevoerd, anders zal de lerende een handeling verkeerd blijven doen of het onjuist aanleren.

Stap 8. Cognitieve regels analyseren

Deze stap is mogelijk niet noodzakelijk. Er mag van uit worden gegaan dat de lerende in een eerder stadium, bijvoorbeeld eerdere opleidingen, deze regels al heeft geleerd. Als dit niet het geval is, worden hier verbanden toegelicht die de cognitieve regels vormen. Vaak is dit in de vorm van een ‘als  – dan’ relatie. Verder worden schema’s ontwikkeld voor het verwerken van informatie en worden algemene fouten of moeilijkheden vastgesteld. Door dit vooraf te doen anticipeert een docent sneller op een lerende die vast komt te zitten.

Stap 9. Analyseren van voorkennis

Wat weet iemand al voordat er een bepaalde taak uitgevoerd gaat worden? Informatie die al bekend is hoeft niet nogmaals aangeleerd te worden, wat tijd en moeite scheelt. Er wordt onderscheid gemaakt tussen concepten, principes, plannen en feiten. Deze worden genoteerd om er gebruik van te kunnen maken als een persoon de vereiste voorkennis niet meer weet of niet kan reproduceren.

Stap 10. Ontwerpen van deeltaken

Het is niet altijd nodig om deeltaken in te zetten, maar sommige leertaken bevatten belangrijke onderdelen die extra uitwerking vereisen. Voor het schrijven van een wetenschappelijk paper is het nodig dat een student gebruik kan maken van zoekmachines. Dit soort deeltaken zijn belangrijk en omvangrijk genoeg om verdere uitwerking te verrichten.

Deze stappen zijn in een zekere volgorde geplaatst, maar de schrijvers geven aan dat het altijd goed is om terug te gaan in het proces. Bij het ontwerpen van leertaken moet er altijd iets toegevoegd of veranderd worden en het komt haast nooit voor dat het foutloos doorlopen wordt. Hier moet een onderwijsontwerper dan ook rekening mee houden en er op anticiperen.


Bron: Van Merriënboer, J. J., & Kirschner, P. A. (2017). Ten steps to complex learning: A systematic approach to four-component instructional design. Routledge.


Zoals in een ander artikel van deze maand al te lezen is, is digitale geletterdheid een belangrijke vaardigheid om aan te leren. Er is daarom al een aantal jaar de roep om dit op te nemen in het algemene curriculum voor het onderwijs. Stichting Leerplan Ontwikkeling (SLO) hoopt de kerndoelen hiervoor rond 2024 klaar te hebben, zodat scholen ermee aan de slag kunnen. Wat valt er dan onder digitale geletterdheid en waarom is dit belangrijk?

Moderne samenleving

Het algemene curriculum bestaat uit belangrijke onderdelen die we in onze samenleving nodig hebben om goed te functioneren. Vanwege de opkomst en afhankelijkheid van de computer en smartphone zijn mensen daar op steeds jongere leeftijd mee bezig. Het is daarom belangrijk dat het verplaatsen in een digitale omgeving een plaats krijgt naast het leren van lezen en schrijven. Jongeren moeten voorbereid worden op een ‘digitale toekomst’, in een moderne samenleving. Dit wordt omschreven als digitale geletterdheid. De instellingen die het curriculum regelen zijn over een paar jaar gereed om dit in te voeren bij scholen.

4 domeinen

SLO heeft het begrip digitale geletterdheid opgedeeld in vier domeinen, met een toelichting over het belang voor het onderwijs.

  1. Ict-basisvaardigheden: hieronder vallen vaardigheden als een goed begrip van de werking en bediening van computers. Daarnaast moeten jongeren de mogelijkheden en beperkingen van moderne technologie kunnen begrijpen. Het argument van SLO is dat de moderne wereld extreem afhankelijk is van computers. Het aanleren van de basisfuncties is nodig om jongeren wegwijs te maken in de digitale omgeving. Daarbij wordt aangeleerd dat een computer niet zelf gegevens aanmaakt, maar dat zij daar zelf invloed op hebben.
  2. Informatievaardigheden: dit betreft het kunnen analyseren en correct (her)formuleren van informatie die jongeren op internet gaan tegenkomen. Daaronder behoren ook vaardigheden als kritisch kunnen zijn en het gebruiken van bronnen, zodat informatie herleid kan worden. SLO stelt dat leerlingen op school goed om moeten gaan met de overvloed aan informatie op internet. Iedereen kan informatie plaatsen, kopiëren en bewerken. Daarom moet er op jonge leeftijd onderscheid gemaakt kunnen worden welke informatie betrouwbaar is.
  3. Computational thinking: SLO omschrijft deze term als het formuleren van een probleem op zo’n manier dat het mogelijk wordt om dit met computertechnologie op te lossen. Denk hierbij aan het organiseren van gegevens, of de analyse en/of representatie daarvan. Hierbij wordt gebruik gemaakt van ICT, bijvoorbeeld bepaalde software. Het argument voor de toevoeging van dit domein is dat moderne vraagstukken moderne oplossingen nodig hebben. In het huidige tijdperk zijn bepaalde zaken niet meer op te lossen zonder het gebruik van computers. SLO vindt het daarom belangrijk dat jongeren worden opgeleid met deze vorm van probleemoplossing, zoals de inzet van algoritmes en procedures.
  4. Mediawijsheid: het effect van (digitale) media is door bijvoorbeeld computers, het internet en smartphones wijdverspreid. Mensen worden constant geconfronteerd met afbeeldingen, video’s en andere middelen om de aandacht te trekken. Daarnaast behoren ook sociale netwerken tot de digitale media, waarmee contacten onderhouden worden. Jongeren moeten leren om hier in te kunnen navigeren. SLO verwacht dat de samenleving alleen maar meer afhankelijk wordt van deze media. Dit onderdeel is daarmee onmisbaar voor de digitale geletterdheid. Er wordt zelfs gesteld dat gezond blijven en gelukkig zijn samenhangen met het correct gebruiken van digitale media.

Bron: https://www.slo.nl/vakportalen/vakportaal-digitale-geletterdheid/basisvaardigheden/


Tijdens een leerproces kunnen bij studenten verschillende emoties optreden. Dit kan uiteenlopen van bang zijn voor een examen tot voldoening na afronding van een grote opdracht. Wat voor invloed heeft emotie op het leren en prestaties?

Samenhang tussen emotie en andere aspecten

Het is bekend dat emoties een sterke invloed kunnen hebben op leervaardigheden en prestaties. Binnen die twee aspecten zijn echter verschillende onderdelen die beïnvloed worden. Zo kunnen emoties de inzet van cognitieve processen en leerstrategieën bij studenten doen veranderen. Daarnaast kan er ook een invloed zijn van emotie op de beslissingen die studenten nemen. Verder is de samenhang tussen emotie en motivatie een belangrijke factor. De drie genoemde aspecten zijn daarbij van wederkerige invloed op emoties. Hieronder worden deze vier belangrijke onderdelen een voor een besproken.

Cognitieve processen en leerstrategieën

Cognitieve processen en leerstrategieën zijn nodig bij het aanpakken van het leren van examens of het uitvoeren van opdrachten. Emoties kunnen hierbij van invloed zijn door bijvoorbeeld het opnemen van informatie te versterken of te bemoeilijken. Ook de manier waarop deze informatie in het geheugen wordt opgeslagen kan anders verlopen, afhankelijk van de emotionele staat waarin iemand zich bevindt. Dit kan per persoon erg verschillen, omdat mensen andere voorkeuren kunnen hebben voor een aanpak of bepaald onderwerp.

Nemen van beslissingen

Een beslissing nemen op basis van emoties is niet ongewoon. Dat geldt ook als het gaat om beslissingen maken gedurende een leerproces. Een minder bekend onderdeel hierbij is het anticiperen van emoties bij een beslissing. Stel dat je weet dat je voor een examen geen hoog cijfer hoeft te halen, dan kan je tentamenangst lager zijn vanwege de verlaagde druk. Het anticiperen van de afwezigheid van de emotie angst heeft zo dus een sterke invloed op het leerproces.

Motivatie

Verschillende emoties corresponderen met het ondernemen van verschillende acties. De eerder genoemde angst voor tentamens kan er voor zorgen dat de motivatie van een persoon erg laag is, omdat het gaat om een onplezierige situatie. Wat ook kan is dat een persoon juist motivatie haalt uit de emotie, omdat in het verleden een strategie is gevonden om die angst tegen te gaan. Het wordt daarom aangeraden aan instructieontwerpers om rekening te houden met het behouden van motivatie bij studenten.

Wederkerige invloed

Zoals eerder gesteld zijn de bovengenoemde aspecten van invloed op elkaar, van twee kanten. Emotie is in constante interactie met de andere factoren. Het is voor zowel studenten als hun begeleiders goed om hier bewust van te zijn, omdat zo voorkomen kan worden dat er een negatieve spiraal ontstaat. Onderzoekers bevelen dan ook aan om studenten op emotioneel gebied ondersteuning te bieden, zowel binnen het onderwijsgedeelte als daarbuiten.


Bron: Kim, C., & Pekrun, R. (2014). Emotions and motivation in learning and performance. Handbook of research on educational communications and technology, 65-75.